Weggelopen slot


De volgende dag bleef de politie zoeken naar Job. Agenten waren al bij de ouders thuis geweest.

De vader en moeder keken een beetje sip en zaten elkaar de schuld te geven dat Job weggelopen was.

“jij ook altijd met je slaan,” schreeuwde moeder.

“Alsof jij dat zo erg vond, je zei er nooit iets van, had nooit belangstelling voor die jongen.”

Agenten keken van de één naar de ander en begrepen dat Job geen prettig leven had gehad. Ze begrepen ook waarom de jongen weggelopen was.

Men probeerde het spoor van Job te volgen. In een warenhuis had men de andere dag de camera’s nagekeken en gezien dat hij daar de nacht had doorgebracht.

Een vrouw uit het restaurant herinnerde zich hoe Job twee koffie nam en taartjes, en dat hij in zichzelf sprak, of eigenlijk, net of hij tegen iemand sprak, maar hij was alleen.

Er waren meer mensen die zich Job herinnerden. De bewakers, agenten en nog meer mensen. Maar Job vertrouwde niemand. Nee, als je je ouders niet kunt vertrouwen, wie dan wel? Als je ouders niet voor je wilden zorgen, wie dan wel? Job geloofde niet meer in mensen.
Politie begreep dat ook. Ze zochten en zochten en dachten eraan hoe koud het die nacht was geweest. En Job was vermoedelijk buiten geweest.

Eindelijk, diep een het bos, in een grot vonden zij het lichaam van Job, koud, met een steen in zijn hand en… heel vreemd… een glimlach rond zijn lippen. Daar begreep niemand iets van.

Maar Job had die nacht een goede keus gemaakt, hijwas met de wolf meegegaan en later kwam opa ook naar de grot toe.

Met zijn drietjes, opa, Job en de mooie witte wolf gingen ze op een pad dat steeds breder werd. Ze gingen een poort binnen waar langs beide zijden mooie rozen bloeiden. Daar was geen kou, de zon scheen, de vogels zongen en de mensen keken blij en vriendelijk.

En daar, daar zag hij oma ook. Hij vloog naar haar toe en ze sloot hem in de armen. Eindelijk, eindelijk voelde Job zich gelukkig.
“Mag ik hier altijd bij jullie blijven? Hoef ik nooit meer weg?”

“Je mag altijd blijven jongen, je hoeft nooit meer terug. Geniet maar van al deze mooie dingen.”

En dat deed Job, hij wandelde samen met de Witte Wolf om alles te bekijken en opa en oma stonden met hun armen om elkaar heen te kijken naar hun kleinkind, die eindelijk uit de ellende verlost was.

In de grot werd alles in werking gesteld om het lichaam weg te halen.

“Kijk eens,”sprak een van de agenten: “dit is bijzonder, hier liggen allemaal witte haren, als van een hele grote hond.”

Ergens, heel in de verte, hoorden ze een wolf janken… of… was het zingen?

De kranten schreven hoe aan het leven van de kleine Job een einde was gekomen en onderzoek had uitgewezen dat een witte wolf die nacht bij hem was geweest.

Job dacht: “mijn leven afgelopen? Nee hoor, het was juist begonnen.

Annette