Maes in stijl


“Mijnheer Maes, u heeft vier mensen vermoord!”

“Helemaal waar.”

“Hoe heeft u dat gedaan?” vraagt de commissaris.

Het zweet parelt op zijn voorhoofd als hij neerploft op een stoel.

“In stijl!” lach ik.


Hij rukt aan zijn das, zodat die bijna scheurt. De man ademt oppervlakkig, alsof hij ieder moment kan ontploffen. We zitten hier al veertien uur in een veel te kleine ruimte, ongetwijfeld vol camera’s.

“Mijnheer Maes, u mag de cel in!” buldert hij. Het is gebeurd: zijn geduld is op. Eindelijk. Ik snak naar een sigaret. En een bed. Dat ligt zachter dan de straat.

Niet veel later ben ik eindelijk uit dat kamertje. Niet dat dit beter is. In de verte hoor ik gesnurk en gevloek. Het is zo donker dat ik geen hand voor ogen kan zien. Op de tast zoek ik naar een lichtknopje, maar in plaats daarvan, raak ik een of andere smurrie aan. Ik trek mijn hand terug en blijf stil zitten.

In de verte hoor ik lawaai ontstaan. Het licht gaat aan en er wordt op de deur gebonkt. Een raampje schuift open, met een dienblad.

“Mogge!” mompelt de man op het andere bed. “René,” zeg ik. Ik wil mijn hand uitsteken, maar denk aan de smurrie.

We kijken elkaar secondenlang aan. “Jij wordt verondersteld dood te zijn!” roept hij. Daar staat de man, die ik hoopte nooit weer te zien. “Alles is betaald,” zeg ik. ”En ik doe al lang geen drugs meer.”

Bas gromt en zegt niets. Ik ga op mijn passen moeten letten. Hij is beslist geen lieverdje. Ik eet zwijgend. Als ik mijn laatste hap heb doorgeslikt, staat daar mijn advocaat. Showtime!

“Mijnheer…,” stottert hij, als we neerzitten. “Ik ben hier om…”

“Jajaja…,” onderbreek ik hem ongeduldig. “Ik ken het. Ik val maar meteen met de deur in huis: ja ik heb ze vermoord. Maar neem het van me aan, iedereen mag me dankbaar zijn.”

Hij slikt en schuift zijn bril wat rechter op de neus, alsof hij tot zichzelf moet komen. “Hoe…bedoelt u?”

“Het zijn gangsters, terroristen…noem het hoe u wilt,” ga ik verder. “Als ik niet zou geschoten hebben, zouden ze de helft van de stad al hebben weggeveegd.”

Volgens mij is hij net afgestudeerd, zo jong lijkt hij. Ros krullend haar, een bril met dikke glazen, sproeten, klein van gestalte en niet bepaald mager. Sommige mensen hebben echt alle pech.

Als hij even in zijn papieren gerommeld heeft, kijkt hij op. “Ik zal informatie moeten inwinnen,” zegt hij. “Dit had ik niet verwacht.”

“Ik zal je helpen.” Ik strek mijn hand uit. “Adolf Maes, recherche.” We schudden handen.

“Ik ben een familie op het spoor. Ze verhandelen al jaren cannabis en cocaïne op grote schaal. Ze opereren vanuit Mechelen, in België. Ik heb er spijtig genoeg vier moeten doden, maar ze zijn met meer, dat kan ik je verzekeren.”

Hij noteert ijverig, “De spilfiguur, die vooral vanuit hotels opereerde, zit in mijn cel. Zijn naam is Bas. Ik kan je de gegevens bezorgen.”

“Waarom bracht u de commissaris niet meteen op de hoogte?” vraagt de jongen.

“Je kan in dit wereldje niet voorzichtig genoeg zijn,” leg ik uit. “Drugs brengen geld op. Er zouden mensen uit het politiecorps betrokken kunnen zijn. Dat moet ik nog uitsluiten.”

Hij knikt begrijpend. Hoe erg, ik ben waarschijnlijk zijn eerste klant, na zijn afstuderen. “Je gaat je werk hebben jongen,” zeg ik, “de bende beschikt over een groot klantenbestand in Nederland en België. Dit is nog maar het topje van de ijsberg.”

“Ik zorg dat u snel vrij komt,” antwoordt hij. “Daarna kijken we verder.”



Dit verhaal kadert in de #schrijfuitdaging van @Hans Van Gemert.