Toevallig regende het.


We waren allang niet meer naar het buitenland geweest, ik keek er naar uit, was die fietsvakanties wel beu. Geen vliegreisje, in onze portemonnee zat letterlijk geen enkele euro. Nou was dat ook weer niet zo verwonderlijk in het guldentijdperk. Maar serieus, echt rijk waren we niet. We keerden ieder dubbeltje om voordat we het uitgaven. Ik met mijn vingers, mijn man (in verband met zijn enorme smetvrees) door middel van zijn pincet.

'Hans,' zei ik tegen mijn man, 'we gaan niet moeilijk doen, geen geklaag, anders blijf ik net zo lief thuis.'

'Goed. Maar je snapt toch wel dat ik enkele voorwaarden heb? Ik moet wel van een schoon bestek gebruik kunnen maken, en echt schoon wordt het pas, wanneer ik mijn eigen afwasborstel gebruik.'

'Uitstekend.'

'En een week lang geen bloemkool.'

'Is ook prima!'

Ik pakte de vaatkwast van Hans, kleding voor warme en koude dagen, kampeerspulletjes en toiletgerei en zorgde voor genoeg wegwerpondergoed, want ik weigerde elk tussentijds handwasje, propte alles in de vouwcaravan en haakte die achter de auto. We vertrokken de volgende dag richting Oostenrijk.

Hans wilde perse één dag over de heenreis doen en dus kwamen we die avond laat aan op de uitverkoren locatie. Ik had thuis al een simpele maaltijd in elkaar geflanst, zodat ik de eerste avond geen potje hoefde te koken. Hans mopperde wat over de zompig geworden walnoten in de salade, maar toen ik hem aan onze klaagafspraak herinnerde, klemde hij braaf zijn kaken opeen.

Halverwege de vakantie sloeg het weer om. Regen, regen en nog eens regen. We waren doorweekt, kregen de kleren niet meer droog en de weinige wasknijpers om ze op te hangen, waren ook zo opgebruikt.

'Zullen we voor de laatste dagen een hotelletje pakken?' vroeg ik voorzichtig.

'Ja, uitstekend idee.'

's Avonds in de hotelbar kwamen we aan de praat met een ander Nederlands stel die op hetzelfde idee gekomen waren om halverwege kampeervakantie de tent te verruilen voor een hotelkamer.

En dat waren niet de enige overeenkomsten. Zij waren van onze leeftijd, de vrouw blond, de man donkerharig. Precies zoals het bij ons het geval was. Wat helemaal een opmerkelijk toeval was, was dat zij dezelfde voornamen hadden als wij.  Iedere volgende avond sloten wij af met een gezamenlijke borrel en bij het afscheid waren zij er ook van overtuigd dat het uitwisselen van adressen onzinnig was en dat het toeval zou bepalen of we elkaar ooit nog eens weer zouden zien.

 

Thuiskomen was wel weer fijn. Op het plein leek niets veranderd. Alleen was het bij onze buren wel erg stil. De benedengordijnen waren gesloten en automatisch keek ik naar de bovenverdieping. Kaal! Er hing niet alleen niets voor, ook de prullaria in de vensterbank waren weg. Onze buren waren tijdens onze vakantie met de noorderzon vertrokken.

Het huis heeft twee weken leeg gestaan. Toen kwamen de nieuwe buren. Hij donkerharig, zij blond. Hij heette Hans en zij Dana. Ze waren twee week geleden teruggekomen uit Oostenrijk. Het toeval had bepaald.