In de boot


Dit verhaal is een deel uit een vervolgverhaal, maar je kunt het ook gewoon 'los' lezen. Wil je de voorgaande delen lezen, dat kan natuurlijk:

Deel 1: Ochtend
Deel 2: Confrontatie
Deel 3: Naar het circus
Deel 4: De beer is los

Deze vier verhalen zijn geschreven binnen de februari-uitdaging van Vlindertje73. Maar let op: het verhaal gaat ook nog verder...


In de boot

Een onwaarschijnlijk tafereel ontrolt zich voor de omstanders. Met Jacobien achterop hoop ik voldoende snel te kunnen fietsen om uit het bereik van de aanstormende tanden en klauwen te blijven. Achter ons aan fietst de circusbeer, die zó zonder problemen kan solliciteren in een prof-wielerploeg. Daar weer achteraan rennen de circusdirecteur en de dompteur. Op veiliger afstand volgen allerlei figuren die allerlei min of meer bloeddorstige scenario’s bevestigd willen zien. Op hun  mobieltjes proberen deze ramptoeristen op foto- en filmmateriaal deze geheel nieuwe act vast te leggen.

Het circusterrein hebben we inmiddels al lang verlaten. Om eventuele omstanders te beschermen heb ik gekozen voor het landweggetje achter het circusterrein. Het kan ook zijn dat blinde paniek me geen keuze liet, maar dan houd ik het liever op het eerste. Het landweggetje heeft zich al lange tijd niet mogen verheugen op een nieuw asfalt-kleedje en het oude zit vol gaten, hobbels, scheuren en overig ongerief. Wild sturend tracht ik alle obstakels te vermijden. Dat lukt wonderwel en helaas blijkt ook de beer een sturend talent te zijn. Een eindje voor me zie ik een nieuw probleem opdoemen. Aan de zuidkant van ons dorpje stroomt een beekje. Niet zo groot, diep of breed, maar om eroverheen te komen is toch een brug noodzakelijk. En die brug is met een groot hek afgesloten in verband met onderhoud.

Juist  op dat moment klemt Jacobien zich nog wat steviger vast, waardoor de vieze tandenborstel in mijn jaszak opwaarts wordt gestuwd en besluit de vrijheid te kiezen. Via knieën, scheenbeen en schoenen ketst het ding vooruit naar die ene plek die hij voor het behoud van onze snelheid had moeten vermijden. Met een schrikwekkend geratel komt hij tussen de spaken van de fiets, waardoor het voorwiel meteen blokkeert. Met een sierlijke boog buitelen Jacobien en ik over het stuur van de fiets. Omdat Jacobien zich tijdens de buiteling net zo stevig aan mij vastklemde als tijdens de fietsvlucht komen we als twee theelepeltjes in een doosje op de graspollen naast het weggetje terecht.  Wonderwel is mijn bril op mijn neus blijven staan. Alhoewel het nog middag is ontdek ik de nodige nieuwe sterren die plagerig voor mijn ogen dansen. Als ik opkijk zie ik nog juist de beer met een verbaasde blik voorbij schieten, tegen het hek van de brug, om vervolgens ook een buiteling te maken, in de richting van het water van de beek.

Een plons blijft echter uit. Nu de beer en ik zo’n innig contact hebben gehad kan ik niet nalaten te gaan kijken. Voorzichtig tuur ik over het hoge gras langs het riviertje. De beer is geland, maar niet in het water. Een klein roeibootje lag naast de brug afgemeerd en de beer is precies hierin terecht gekomen. Door de schok is het touwtje van de pen losgebroken, en de boot drijft, met verbaasd rondkijkende beer en al, stroomafwaarts, de wijde wereld tegemoet.

De circusdirecteur en de dompteur zijn inmiddels puffend en hijgend ook op de plaats des onheils aangekomen. Ze zien de wegdrijvende beer en aarzelen geen moment. Hun schoenen en jassen worden op de kant achtergelaten, plonsen het water in  en zetten zwemmend de achtervolging in.  De groep achtervolgende ramptoeristen houdt het droog, en velen van hen zetten langs de oever van het beekje een veilige achtervolging in. De overige druipen af. Droog, wel te verstaan.

Jacobien en ik hebben even genoeg van circussen en beren en we blijven met tweeën achter. De zon schijnt en alle beren op de weg zijn als sneeuw voor de zon verdwenen. We kijken elkaar aan. Onze vinger strengelen zich in elkaar, onze blikken zuigen zich aan elkaar vast. De temperatuur stijgt en dat is niet alleen door de zon. We besluiten even in het gras te gaan zitten om bij te komen van de enerverende gebeurtenissen, mijn jas kan prima als een soort van onderzetter gebruikt worden.

‘O Hans’, roept Jacobien, ‘Je bent de sleutel, de pincode tot mijn hart!’

‘O Jacobien’, antwoord ik, ‘Bij mij heb je nooit een deurbel meer nodig!’

En meer van dat soort teksten en gebeurtenissen, laten we het netjes houden.

Over één ding wil ik het nog wel even met Jacobien hebben en dat is die verschrikkelijke handcrème van haar die mijn bank verpest heeft. Maar dan vinden onze lippen elkaar. Nog even schiet de gedachte door mijn hoofd dat nu niet alleen de beer, maar ook wijzelf in een bootje terecht zijn gekomen. Maar dan vervagen dat soort gedachten. We hebben wel wat ánders te doen.

De voorgaande verhalen van deze vervolgreeks:

En het verhaal gaat verder:

Deel 6 is door Dana geschreven, bij wijze van toegift: Incognito.

En de toegift bleek toch nog geen toegift, we gaan in deel 7 nog even vrolijk verder met Er in geluisd.

En daarna? Wacht maar eens af....