Sinti, Joris en de draak


Lucifer forever! (Februari schrijfuitdaging Hans van Gemert, slot)

Lees ook de aan onderstaand verhaal voorafgaande verhalenreeks van Encaustichris, dan wordt het allemaal nóg duidelijker

Vierentwintig paar oogjes keken verbaasd en geschrokken van onder het struikgewas naar de open plek waar zich zojuist wonderlijke taferelen afspeelden. Want hoe vaak zie je een tovenaar, een vijftal draken én twee verstenende mensen bij elkaar?

‘Ik ken die man’, mompelde een oud gerimpeld kaboutermannetje en streek daarbij door zijn lange, grijze baard.

‘Is dat nou een tovenaar?’ piepte Sinti, een heel jong kaboutertje, ‘Is dat een echte, opa?’

‘Stil jongen, ik moet even denken.’ De rimpels in het oude voorhoofdje werden nog dieper, en de oude kabouter krabde zich een paar keer onder zijn puntmuts. Toen werden zijn ogen groot.

‘Ik weet het weer! Ja, het is een tovenaar!’

‘Oh!’, piepte het jonge kaboutertje weer, ‘Leuk!’

‘Stil! Het is niet leuk, dit is een gevaarlijke!’ De toon van de oude kabouter was streng. Al dat jonge kabouterspul van nét honderd jaar dacht altijd maar dat álles leuk was.

Meteen was het jonge kaboutertje stil, maar aan de rode wangetjes kon je zien hoe opgewonden hij was.

‘Mallus. Zo heette hij. Mallus. Hoelang is dat wel niet geleden, duizend jaar of zo?’

Een andere oude kabouter knikte. ‘Ik geloof dat je gelijk hebt. Mallus. Die verbannen werd tot een duizendjarige slaap.’

‘Ah ja. Dan is-ie wakker.’

Het jonge kaboutertje kon zich niet lang stilhouden. ‘Opa, hij gaat naar die draken!’

En inderdaad. Nu Mallus zijn woede had gekoeld op de twee mensen richtte hij zijn aandacht op de draken. Het leek wel een familie. Vader-draak, moeder-draak en drie kinder-draakjes. Het humeur van Mallus verbeterde zienderogen. Daar liepen niet alleen een heleboel toveringrediënten! Het water liep hem in de mond. Wie ooit draak-aan-het-spit mét kruidenboter heeft geproefd weet ongetwijfeld waarom. Vooral malse, jonge draakjes, een echte delicatesse onder tovenaars.

‘Opa, moeten we die draken niet helpen?’

De oude kabouter plukte weer aan zijn baard. ‘Zeker, zeker. Maar hoe?’

‘Samen een liefdevolle brief naar die tovenaar gaan brengen, zoals kabouters Saskia en Jeroen doen, gaat zeker niet helpen, opa?’

‘Nee Sinti, dat is al moeilijk genoeg met mensen, maar het werkt zeker niet bij boze tovenaars!’

Ondertussen liep Mallus, met de vogel op zijn hoofddeksel én met de toverstaf in de aanslag, heel voorzichtig in de richting van de drakenfamilie, die vooral aandacht leek te hebben voor de twee versteende mensen. Zijn grijns werd alsmaar groter. Wat een buitenkansje!

‘We moeten ze waarschuwen natuurlijk!’ En met die woorden sprong kabouter Sinti naar voren, meteen gevolgd door zijn boezemvriendje Joris.

Kabouters kunnen zich opmerkelijk snel en gemakkelijk door het gras verplaatsen. Bovendien, en dat is een groot voordeel, zijn ze zo klein dat ze minder goed opvallen. Sinti en Joris bereikten daarom snel en onopgemerkt de grootste draak. ‘Let op, een boze tovenaar!’ piepten ze.

Verrast keek de grootste draak op. De tovenaar was nog maar vijftig passen van hen vandaan en die zwaaiende toverstaf beloofde niet veel goeds …


(c) 2018 Hans van Gemert

Afbeeldingen: Pixabay

Het drakengevecht

hoe het verder ging ...

Geschreven in de schrijfuitdaging van februari:

signup

Word lid en beloon de maker en jezelf!