×

Yoors


Inloggen
Registreren
×

Yoors








Bjorn en Beer


Beer zit op een bankje, helemaal alleen. Hij kijkt naar de treinen die stoppen. Er stappen mensen uit en er stappen mensen in. Ze hebben haast en lopen voorbij zonder Beer te zien. Het zijn mannen, vrouwen en soms ook een kind. Kinderen willen meestal wel even blijven staan om naar hem te kijken, maar hun papa of mama heeft geen tijd om te blijven staan. Beer houdt niet van vreemde mensen, dus hij vindt het wel fijn als ze doorlopen.

Hoelang zit Beer hier al? Hij weet het niet. Er hangen wel klokken boven het perron, maar klokkijken heeft Beer nooit geleerd. Hij weet alleen dat hij nu al heel lang zit te wachten. Voorzichtig kijkt hij om zich heen, misschien ziet hij Bjorn lopen. Dat is zijn beste vriend, ze zijn altijd samen. Nou ja, bijna altijd, want nu zit Beer alleen. Vandaag gaan ze met de trein op reis, naar de oma van Bjorn. Die kent hij wel, oma zegt altijd heel vriendelijk: 'O, daar hebben we Beer. Hoe gaat het met je?'
Dan knikt hij altijd een klein beetje en bromt heel zachtjes zijn antwoord: 'Goed hoor!' Beer houdt er niet van om hard te roepen of praten. Het is ook niet nodig, Bjorn verstaat hem toch wel.

Ze gingen deze keer niet met de auto. Met de fiets zijn ze naar het station gekomen. Papa, mama, Bjorn en Beer. De trein was er nog niet, ze moesten nog even op het bankje wachten. Treinreizen is spannend, het zou voor Bjorn de allereerste keer zijn. Voor Beer trouwens ook.

'Goed opletten, Beer!' had Bjorn gezegd, 'ik moet even plassen!' Ook de papa en mama van Bjorn stonden op. Die moesten zeker ook plassen. Beer bleef alleen op het bankje achter.

Opletten, dat kan Beer wel. Hij ziet de treinen komen en gaan. Heel even dacht hij dat hij Bjorn tussen al die mensen zag lopen, maar dat kan natuurlijk niet.

Stilletjes kijkt Beer voor zich uit. Het is al een beetje donker aan het worden en het wordt kouder. Er zijn steeds minder mensen. Het wachten duurt nou wel heel erg lang. Hij wordt er een beetje eenzaam en verdrietig van. Ze zouden hem toch niet vergeten zijn?

Er loopt een vreemde man op hem af. Hij heeft een blauw pak aan en er staat een pet op zijn hoofd.

'Zo Beer, zit je hier helemaal alleen?'

Dat is raar, hoe weet die man zijn naam? Van verbazing vergeet Beer iets terug te zeggen.

'Kom maar, dan mag je met mij mee.' De man tilt hem op alsof hij een veertje is. Even later zijn ze in een fel verlicht kantoor. De man pakt de telefoon die op tafel ligt.

'Gevonden,' zegt hij, 'hij wacht op je. Ik zal goed voor hem zorgen!'

Dan mag Beer op een mooie stoel zitten. 'Het komt allemaal goed hoor,' zegt de man en hij geeft Beer een knipoog. Daarna is Beer weer alleen.

Eigenlijk is Beer een beetje boos. Hij moest toch op het bankje wachten? Hoe kan Bjorn hem zo nog terugvinden? Stilletjes moppert hij een beetje voor zich uit.

Dan gaat de deur open en er rent een jongetje op hem af. 'O Beer, ik heb je zo gemist!'

Het voelt heerlijk als Beer de armen van Bjorn om zich heen voelt.


(c)2019 Hans van Gemert
Afbeelding: Pixabay


Dit verhaal past in de schrijfuitdaging van juli 2019




expand_less

Meest gestemde posts



expand_less

Recente posts