×

Yoors


Inloggen
×

Yoors











Solitaire_969, Deel 49.

Solitaire_969, Deel 49.


De deurbel ging. Angelique zat nog op de bank, nog een beetje draaierig. Angelique stond op en keek via het raam naar buiten. Er stond een man buiten, met het zelfde uniform, dat haar zoon ook wel eens droeg. Voor aan de straat stond een auto stationair te draaien. Angelique liep naar de voordeur en deed deze open.

‘Dag mevrouw’, zei Roel, terwijl hij zijn hand uitstak, 'u heeft gewerkt?’

Angelique gaf een hand terug en keek hem een beetje verontwaardigd aan, 'u toch ook?’

‘Eh, ja, dat is zo’, antwoordde Roel en hij draaide om met zijn lichaam en wees daarbij naar zijn auto.

‘Zullen we?’

‘Ik kom eraan’, zei Angelique, die weer naar binnen liep om daar haar jas te pakken en haar mobiele telefoon.

Roel ging weer in zijn auto zitten, achter het stuur.

‘Dat wijf stinkt echt ongelooflijk naar de drank’, mompelde Roel tegen zichzelf. Hij keek hoe Angelique de voordeur weer op slot deed en naar de auto liep.

‘Wat gaan we eigenlijk doen?’ vroeg Roel.

‘Ik denk de route rijden, zoals mijn zoon altijd rijdt’, antwoordde Angelique. Roel keek haar heel even aan, keek toen in zijn binnenspiegel en zei: ‘Oké dan.’ De auto reed de straat uit en Roel stuurde richting de snelweg.

‘Wacht eens even,’ begon Roel, ‘was vanmorgen niet dat ongeluk gebeurd dichtbij de binnenstad?’

‘Jazeker’, antwoordde Angelique, ‘dan zou Tom binnendoor gaan.’

‘Mijn idee’, reageerde Roel en hij stuurde de auto de andere richting op. Door de avondspits schoof de auto langzaam door het verkeer.

‘Het is in ieder geval een goede imitatie van vanochtend’, zei Roel, ‘toen moest het ook zo druk zijn geweest.’ Angelique antwoordde niet.

Roel ging verder, ‘heeft u tussentijds nog getracht te bellen?’ Angelique schudde kort haar hoofd en pakte haar mobiele telefoon erbij. Ze drukte op een knop en liet de telefoon een paar keer overgaan. Niets, geen reactie. Roel keek naar Angelique. Echter, ze zei niets. Roel fronste zijn wenkbrauwen. Tjonge, wat een type, dacht hij, terwijl ze langzaam door het verkeer heen kropen. De twee bleven stil tot men rechts een zandpaadje tegenkwam. Roel stopte de auto en keek weer naar Angelique.

‘Ja, wat?’

‘Eh, ja, weet ik veel, volgens mij is het vrij doelloos wat we doen en, eh, misschien...’

‘Misschien wat?’ vroeg Angelique.

‘Misschien zijn ze dit paadje wel ingegaan’, antwoordde Roel. Angelique keek in de richting van het paadje en ze trok haar schouders op.

‘Zou kunnen, natuurlijk’, zei Angelique, ‘en het is net wat je zegt, we moeten iets.’

Ze ontdooit, dacht Roel bij zichzelf, terwijl hij de auto het paadje instuurde. Roel stuurde de auto langzaam rechts het paadje in.

‘Ik weet het toch niet’, zei Roel twijfelend, ‘het ziet er slecht begaanbaar uit.’ Hij zette de auto stil aan de kant en hij zelf stapte uit. Roel liep een eindje rechtdoor tot hij weer bij een vertakking van de weg aankwam. Daar bleef hij even staan kijken, draaide zich om naar de auto en gebaarde naar Angelique.

‘Ja’, zei Angelique, ‘wat bedoel je nou?’

Weer keek Roel naar de beide vertakkingen en gebaarde nogmaals. Daarna trok hij zijn schouders omhoog om aan te geven dat hij het ook niet meer wist. Roel liep weer terug naar de auto. Daar aangekomen trok hij het portier open aan de kant van Angelique.

‘En?’

‘Geen idee’, antwoordde Roel, ‘het blijft een onbegaanbaar geheel, het betert niet en verderop ligt een vertakking.’

‘Wat is logisch’, zei Angelique.

‘Tja, dat is de vraag’, antwoordde Roel.

‘Welke afslag zouden ze genomen hebben?’

‘Als ze überhaupt het pad wel ingegaan zouden zijn’, reageerde Roel.

‘Dat denk ik wel’, zei Angelique, ‘waar wil je anders heen, weer omdraaien en terug de file in?’

‘Dat zou in ieder geval niet logisch zijn’, zei Roel weer.

Hij startte de auto en stuurde hem weer naar het midden van het zandpad. Langzaam hobbelde de auto verder tot ze bij de vertakking kwamen, die Roel eerder had gezien.

‘Links of rechts?’ vroeg Roel aan Angelique.

‘Ik denk rechts’, antwoordde Angelique, ‘om weer richting de stad te gaan, zou ik rechts genomen hebben.’

‘Rechts,’ fluisterde Roel, ‘dat klinkt logisch, ja.’

Hij stuurde de auto het rechterpaadje in, maar het kostte hem ontzettend veel moeite.

‘Ik denk dat we beter te voet kunnen gaan’, zei Angelique.

‘Te voet?’ vroeg Roel, ‘en de auto dan, zomaar achterlaten?’

‘Wat wil je anders doen, direct komen we vast te zitten in de modder’, reageerde Angelique.

‘Oké, oké’, zei Roel, ‘we gaan te voet.’ Hij stuurde de auto naar de kant toe en zette het contact uit. Hij keek Angelique aan.

‘Nou, kom op dan.’ Angelique stapte de auto uit. Roel volgde haar voorbeeld en drukte op een knop, die de auto op slot zette.

‘Wie weet hoe lang dat lopen wordt’, zei Roel.

‘Niet lang meer’, antwoordde Angelique, ‘dat denk ik.’

Roel keek haar verbaasd aan. Hoe kon ze zoiets nu zeggen? Wie weet hoe lang ze nog op dat modderige, troosteloze paadje moeten rond dabberen? En heeft het wel zin? Het is voor een goed doel, oké, maar het lijkt zo nutteloos. Hadden ze niet beter de politie kunnen bellen? Angelique leek vastberaden. Ze stapte zodanig door alsof het leek dat ze wist waar ze naar toe ging. Na een dikke twintig minuten kwamen ze bij een wegwijzer uit.

‘Villa Pannehoef’, zei Roel, ‘zouden we weer richting bewoonbaar gebied gaan?’

‘Dat denk ik wel ja’, antwoordde Angelique, ‘nog even doorlopen dus.’

Mooi, dacht Roel bij zichzelf, want ik wil naar huis. Hij had er eigenlijk spijt van dat hij mee was gegaan. Liever had hij nu bij zijn vrouw op de bank gezeten. Of nog even met de kinderen gespeeld. Na een aardig tijdje lopen kwamen ze bij weer een vertakking aan. Een eindje verderop stond weer een wegwijzer.

‘De villa staat goed aangegeven’, zei Roel.

‘Blijven volgen, dan maar’, antwoordde Angelique.

‘Het stuurt ons weer wel naar links’, zei Roel, ‘terwijl we eerst rechts zouden aanhouden.’

‘Klopt’, antwoordde Angelique, ‘maar we kunnen bij die villa vragen, of ze ons weer naar de auto terug kunnen brengen.’

‘Of helpen met zoeken’, zei Roel weer.

‘Of dat ja.’

Voor vervolg klik hier