De schim (part 1)


De jongen liet zijn pen vallen en zuchtte. Vandaag wilde hem niets te binnen schieten. Al zeker vijf minuten zat hij aan zijn bureau en wilde er geen letter op papier komen. Zijn zolderkamertje was anders altijd prima geschikt om brieven aan hem te schrijven. Elke week keek hij ernaar uit. Nooit langer dan één bladzijde, natuurlijk. Nooit niet overdrijven, had hij geleerd.

Hij zwaaide lenig met zijn rechterbeen overdwars en ging achterstevoren op zijn stoel zitten. Legde zijn armen op de rugleuning en zijn kin op zijn handen. Deze houding nam hij, indien alleen, graag aan. Het was niet lui, maar ook niet te actief. Hij bleef minutenlang voor zich uit staren. Niemand zou weten wat er, terwijl hij daar zo zat, in hem omging. Natuurlijk deed dit denken aan de man, waaraan hij elke keer zijn woorden wijdde.

Plotseling draaide hij zich abrupt om, maakte, onbedoeld, een sprongetje, landde weer op zijn stoel en begon gretig te schrijven. Het viel hem niet eens op dat zijn tong een klein beetje uit zijn mond kwam, van ijver.