Valse hoop (2)


Dit is het vervolg op "Valse hoop",

In de verte hoor ik lawaai. Er komen nog schepen aan. Ik verroer me niet en knik hoopvol naar de man.


Dit verhaal is het vervolg op Valse hoop, dat je hier terugvindt.


“We kunnen niet blijven Sinterklaas spelen!” hoor ik Gerard zeggen, als ik lawaai hoor. We besluiten stil te blijven liggen.

“Het is ons ter ore gekomen dat er vluchtelingen aan boord zijn!” hoor ik door een luidspreker. “Wij eisen dat u ze onmiddellijk aan ons overdraagt.”

Een hoop kabaal buiten. De man beslist impulsief zich los te maken. Ik kan het hem niet kwalijk nemen. Stilaan is de stank niet meer te harden.

Ik besluit ook mijn kans te grijpen. We draaien, duwen en trekken, tot we enigszins onder de lijken uit zijn.

“ Ευχαριστώ!” Ik kan alleen maar gebaren, want mijn Grieks is niet bepaald om naar huis te schrijven. “Argus,” stelt hij zichzelf fluisterend voor.

Mijn hart staat stil als ik voetstappen dichterbij hoor komen. In de verte hoor ik schoten afgaan.

“Wel wel wel…” Mark kijkt me recht in het gezicht. “Waar komen jullie zo opeens vandaan?” Zijn blik dwaalt naar de overhoop liggende lijken. Argus knippert met zijn ogen. Zijn Nederlands is even goed als mijn Grieks. “Ik…rook stank in het bos,” leg ik uit, maar ik krijg de kans niet mijn zin af te maken. Argus richt een pistool op Mark, die lijkbleek wordt.

“Gerard! Gerard!” tiert hij. De geluiden van de ronkende schepen, de schoten, geroep buiten, doet Marks smeekbede in het niets verdwijnen.


Ik wil Argus duidelijk maken dat hij voorzichtig moet zijn, maar het pistool gaat af. Mijn hart bonkt als een bezetene. De man heeft hier blijkbaar over nagedacht. Hij sleept Mark vastberaden weg en gooit hem als een aardappelzak mee op de stapel lichamen.

Vervolgens gebaart hij het dat we weg moeten: een berg lijken én een spoor van vers bloed moeten we zo snel mogelijk verlaten. Na het ontvluchten van zijn land, kan ik me voorstellen dat de gevangenis niet bepaald de plek is waar hij van droomt.


“Margot,” stel ik mezelf voor. Ik steek mijn hand uit. Hij neemt mijn hand en trekt me mee. Ik voel me eindelijk een beetje veiliger.

Als we buiten komen, is het op slag stil. Gerards mond zakt open.

“We zijn ontsnapt,” schreeuw ik zo hard mogelijk, en gebaar dat het schip tot zinken is gebracht.


De kapitein van het schip beveelt aan de bemanning ons aan boord te helpen. Gerard staat te hyperventileren. “Waar is Mark?” sist hij tegen me.

“Lukt het?” vraagt de kapitein, als ik aan boord klauter. “We hebben tijdens het patrouilleren dit schip al eerder opgemerkt. Het is niet de eerste keer dat ze het vuur op ons openen. Kom, laat ons ons werk doen.”


Argus en ik zitten een tijd later, samen aan de dampende koffie, terwijl we eindelijk richting veiligheid varen. Hij haalt een erg beschadigd fotootje uit zijn achterzak tevoorschijn. Een Viëtnamese vrouw en een jongetje van ongeveer acht jaar kijken stralend in de lens. Ze liggen nu mee bij de berg lijken die we verlaten hebben. Niet moeilijk dat de man meteen schoot. Hij is niet alleen al zijn geld, maar ook zijn gezin kwijt. De tranen stromen over zijn wangen.

Ik leg mijn hand over die van hem. “Het spijt me,” zeg ik in het Engels, “het spijt me vreselijk.” Hij geeft weer een kneepje.

Hier zit ik dan, op een schip met een vreemde man. Allemaal omdat ik persé het bos in moest voor een wandeling, wat nu een eeuw geleden lijkt. Martijn had me nog zo gezegd het huis niet te verlaten, maar de drang om de natuur in te gaan, was te sterk. Ik besef met een schok hoe ongerust Martijn moet zijn.

Veel later zit Martijn aan de bar, met zijn zoveelste biertje. De barman knikt hem medelijdend toe, na het hele verhaal gehoord te hebben. “Ik had haar nog zo gezegd binnen te blijven, tot ik terug was,” verzucht hij, “maar ze is, zoals gewoonlijk weer weggegaan. Dat heb je met van die natuurmensen; die kunnen niet stilzitten.” Hij nam weer een slok. "Wie weet zit ze al bij een andere man..."

De barman weet niet meer wat hij zeggen moet, dus zet hij de televisie maar aan.

“Een onderzoeksrechter heeft een man aangehouden die ervan worden verdacht lid te zijn van de smokkelbende die met opzet een boot met vluchtelingen tot zinken heeft gebracht. Zijn kompaan lag met zware verwondingen op het schip, tenmidden van een berg overleden migranten. Hij is vermoedelijk neergeschoten. Eén man en één vrouw konden ontsnappen…”

“Martijn,” roept Karel, “volgens mij heb ik zonet jouw vriendin gezien.”

“Wwwat?” Martijn, bijna in slaap naast zijn glas, kijkt op naar het scherm. En nog eens. “Wel allemachtig!,” roept hij uit. "Hoe is ze daar terecht gekomen? En wat doet ze bij die man?"

Karel volgt zwijgend mee en vraagt een tijd later: “wat doet Gerard daar eigenlijk?  Hij ging toch weg voor zijn werk?"

"Gerard?", vraagt Martijn. "Ik dacht dat hij en Mark met ons zouden voetballen zondag?”



Dit vervolg kadert in de schrijfuitdaging #100dagen -5-