Opa's kast.

Heerlijk, geschiedenis gaat meer voor je leven wanneer je het gaat vertellen door je eigen ogen. In het volgende verhaal heb ik waargebeurde delen verbonden aan delen die ik zelf heb verzonnen. Ik kreeg daadwerkelijk ineens een heel trots gevoel toen ik klaar was. Het was echt mijn opa! Ik heb het ook verteld vanuit het perspectief van een kind. Ik hoop dat ik ook het taalgebruik hier een beetje op heb weten aan te passen,

Afbeelding van RD LH via Pixabay

#shortstory

 

Opa’s kast.

Het verhaal van mijn opa.

Mijn opa, mijn opa was een held! Ja, een echte. Eentje die zelfs van de Paus in Rome (en die is belangrijk) een medaille heeft gekregen.

Ik heb hem mogen zien, nee niet vasthouden, alleen kijken. In een mooi doosje met fluweel bekleed. Daar lag hij te glimmen.

Mijn opa was Duits weet je, voor de oorlog was hij naar Nederland gekomen en toen het oorlog werd, toen woonde hij in Delden. Een mooi groot huis.

Mijn opa had veel kinderen en mijn moeder was er eentje van. Ze is daar, in Delden geboren.

Best wel knap, wanneer je dan een gezin hebt en dan toch in het verzet gaat. Nee, sorry, wat hij precies heeft gedaan, ik weet het niet. Maar wat ik wel weet, is dat de Duitsers hem zochten. Mijn oma liet ze dan binnen en ze liepen door het hele huis. Doodeng moet dat geweest zijn.

Al die tijd, (dus wanneer die Duitsers weer eens kwamen zoeken) zat mijn opa in een kast. Hij paste er precies in. Heel vaak heb ik mij voorgesteld hoe het moet zijn geweest.

Het is maar een dagdroom, dus geloven? Nee, het volgende verhaal moet je niet geloven.

Ik? Ik doe even of ik mijn oom ben. Mijn moeder was toen nog te klein.

De Duitsers komen!

‘He kinderen, hou nou eens op over Duitsers, ik ben zelf Duits geweest, dus dit, dit zijn geen Duitsers, dit zijn de Moffen’

Papa was streng, en deze zin maakte het alleen maar enger. De Moffen! Het was guur buiten en ondanks de regen hadden we al gezien hoe mannen in lange regenjassen in het donker bij de buren aan hadden geklopt. Vier waren het er en eentje bleef buiten in de stromende regen om iedereen die via de achterkant wilde ontsnappen alsnog te pakken te krijgen.

Met zijn allen zaten we aan tafel en opa was al naar de kast gelopen. De lamp boven de tafel trilde even, het licht werd minder en toen het bonken, harde klappen met de vuist op onze deur. Ik slaakte een klein gilletje. Mama pakt de spullen van tafel en stuurt ons resoluut naar boven. Samen gaan we naar de kamer van Hans, mijn grote broer. We horen hoe mijn moeder beneden de deur opent. Met een klap slaat deze tegen de vensterbank omdat de wind de deur uit mijn moeders handen slaat.

Een krant wordt op tafel gesmeten. Wer hat das gemacht? Er ist gesehen. Who ist ihren mann?

De boosheid galmt door de kamer. Papa moet doodsangsten uitstaan. Mama praat rustig met de Duitsers. Ze zegt dat hij er niet is, hij zal wel ergens schuilen met dit weer. Vanmiddag was hij vertrokken om bij de boer een paar eitjes te kopen.

De Duitsers geloven het niet en met grote passen benen ze het huis in. We horen hoe deuren open worden getrokken, hoe onder tafels en bedden wordt gekeken en dan komt er zo’n enorme vent met een geweer op zijn nek bij ons de kamer in. Hij kijkt rond en hoort dan uit de kamer ernaast het huilen, heel, heel hard huilen. Mijn zusje is wakker geworden van het stampen.

Ik hoor hoe zachte passen de trap opkomen: ‘was dat nou nodig? Zo hard? Nu is mijn dochter wakker. Ik zal haar moeten voeden om haar weer rustig te krijgen.

We zien hoe de grote Duitser het schaamrood rond zijn kaken krijgt en dan vertrekt.

De anderen komen achter hem aan.

Weer zijn we ontsnapt en klopt mama een ritme op de deur van de kast. Van binnenuit wordt deze geopend en opa komt de kamer weer in.

En nu, na dit verhaal besef ik mij pas, dat mijn moeder heel goed ook een beetje een held zou kunnen zijn…