Lou Geluyckens

Lid sinds: 08-11-2015

#Woody Allen
12Dec2017
DROOMREIS
Lou Geluyckens

Het is op het moment dat ik dit schrijf precies 22 jaar, 1 maand, 7 dagen en luttele uren geleden dat mijn vrouw en ik aan onze allereerste droomreis begonnen. Een halfjaar nadat we elkaar hadden leren kennen. Een bestemming die tot de verbeelding sprak: een eiland dat in 1626 door de Duitser Peter Minuit voor een handvol snuisterijen ter waarde van 700 euro werd gekocht van de Lenni-Lenape indianen. Een eiland luisterend naar de naam Manhattan. We hadden geluk. Het was eind oktober, maar de weergoden hadden voor ons hun mooiste verrassing in petto: de vaak bezongen Indian summer. De temperatuur in New York liep ’s middags makkelijk op tot een graad of 25 en zelfs tijdens de avonduren was het best aardig buiten toeven. We meden de metro alsof er de pest heerste en deden zes dagen lang alles te voet. Op een enkel ritje met de typische gele taxi na. We liepen een deel van het oude Indianenpad af, de enige straat op het eiland die zijn natuurlijke loop heeft weten te behouden en niet in het dambordpatroon is ingepast: Broadway. We doorkruisten een deel van het eindeloze Central park, liepen rond het Reservoir, stonden boven op één van de twee torens die enkele jaren later als gigantische kaartenhuisjes in elkaar zouden zakken, bezochten het bekende Natuurhistorisch Museum, wandelden te voet over de gigantische Brooklyn Bridge en zochten tevergeefs naar the Dakota building waar mijn held John Lennon het leven liet. Tevergeefs omdat wij domweg aan de oostkant van Central park zochten, terwijl het gebouw zich aan de westelijk kant bevindt. Hoe dom kun je zijn? Het hoogtepunt van de reis stond gepland op maandagavond. Dat is de avond waarop mijn andere held Woody Allen sinds jaar en dag het beste van zichzelf geeft op de klarinet. Ondertussen doet hij dat al geruime tijd in het Carlyle Hotel, maar toen gebeurde dat in de intussen ter ziele gegane Michael’s Pub. Tussen haakjes: Allen was toen nog hoofdzakelijk een gevierd filmregisseur en geen aanbidder van jonge stiefdochtertjes. De heldenstatus zat hem dus nog als gegoten. De pub in kwestie stelde niet veel voor. Journalist Daniel Jeffreys verwoordde het destijds zo in the Independent: “If it were not for Woody Allen there would be no reason to visit Michael's Pub on East 55th Street in Manhattan. The food is awful and the waiters are so rude they seem to be acting, like caricatures from one of Allen's New York comedies.” Dat zegt genoeg, meen ik. We namen plaats op twee krukken aan de bar. Er waren weinig alternatieven. Tafels bevatte de kale ruimte nauwelijks. En de zaal achter het café bleek, zoals iedere week, afgeladen vol te zitten. Even vreesden we overigens dat onze avondlijke uitstap een maat voor niets zou zijn, maar een ober bezwoer ons dat er iedere week wel een tafel vroegtijdig vrijkomt en het dus niet ondenkbaar was dat we later op de avond alsnog een tafeltje zouden bemachtigen. Hoewel we lang niet de enigen waren die hoopten binnen te raken, besloten mijn vrouw en ik het erop te wagen. Je wist immers maar nooit. Terwijl we een paar Budweisers achterover sloegen, praatten we wat om de tijd te doden, tot mijn vrouw me plots met een bezwerende hand het zwijgen oplegde en me met haar blik duidelijk maakte dat ik om moest kijken naar de deur. Ik draaide mijn hoofd en voelde me warm worden, als een melaatse die door Jezus de hand wordt opgelegd. Amper drie meter van me vandaan stond de enige echte Woody Allen. Hij bleek in het echte leven nog een onooglijker schlemiel te zijn dan op het witte doek, en zijn haar had de kleur van een roestige fiets, maar zijn aura was bigger than life! Toen hij me, met dat lederen etui waar zijn klarinet in verpakt zat onder zijn arm, voorbijliep, kon ik er me niet van weerhouden hem in steile bewondering na te gapen. Als een peuter naar de Sint. Een kwartier later hoorden we de jazzband hun eerste standard inzetten. De minuten tikten weg. Het ene nummer volgde het andere op en niets leek er op te wijzen dat we mijn held nog aan het werk zouden zien. Teleurgesteld maakten we ons na ruim een uur op om weer weg te gaan, tot een ouder stel plots de zaal verliet en de ober zijn blik over de hoop wachtenden liet dwalen. Ik kon mijn ogen nauwelijks geloven toen hij ons met een priemende vinger aanwees en met zijn hoofd gebaarde dat we hem moesten volgen. De zaal bleek volgestouwd te staan met tafels waarover goedkope tafellakens gedrapeerd hingen. We kregen de vrijgekomen tafel toegewezen, links van het podium. Vanuit een hele schuine hoek konden we nog net boven de hoofden van een troep vretende mensen het onooglijke figuurtje, genaamd Woody Allen, ineengezakt op een stoel zien zitten, terwijl hij in zichzelf gekeerd op zijn klarinet zat te blazen. Mijn vrouw en ik kregen brutaal twee menu’s toegeworpen, waarover we onze ogen lieten glijden; ogen die uit hun kassen dreigden te ploppen toen we de prijzen van de gerechten lazen. Terwijl ik een dikke prop doorslikte, haalde ik mijn portefeuille boven en telde na hoeveel cash ik nog bezat. We rekenden snel even uit wat tot de mogelijkheden behoorde. Een kleinigheid. En dat was misschien maar goed ook, want het eten leek door een derderangs scheepskok te zijn bereid. Toen we anderhalf uur later wilden afrekenen, kregen we de grootste verrassing van de avond gepresenteerd, in de vorm van de rekening. We waren vergeten dat in the States de dienst niét inbegrepen is. Daar zaten we dan, mijn vrouw en ik, beiden met een hoofd dat roder zag dan het haar van Woody Allen. Zelfs als we al het kleingeld dat we bezaten bij elkaar telden, hadden we nog een tekort van verscheidene dollars. Toen de brutale ober het geld kwam incasseren, was het mijn vrouw die het woord nam. Qua charme moet ik het tegenover haar zwaar afleggen. Ik kon dus maar beter mijn bek houden. Ze vertelde de ober met een klein stemmetje dat we niet genoeg geld hadden. Toen de kerel zijn ogen vuur dreigden te vatten, voegde ze er gauw aan toe dat ze me had willen verrassen omdat het mijn verjaardag was en dat ze hoopte dat hij daarom een geste wilde doen. Ik trok andermaal grote ogen. Ik wist niet dat mijn vrouw zo kon liegen. Mijn verjaardag valt immers in mei en niet in oktober! De ober trok een tronie als een tweederangsacteur in een gangsterfilm die op het punt staat een moord te plegen. Ik zag hem denken: “I’ll nail the suckers to the ceiling!” Maar dat vond hij wellicht net iets te omslachtig. In plaats daarvan wees hij met een zwiepend hoofd naar de deur en sneerde: “Get the fuck out-a-here!” Mijn vrouw en ik scharrelden alles bij elkaar en maakten ons haastig uit de voeten. Eens buiten lagen we krom van het lachen. Onze reis naar New York vormt een mooie herinnering. Jammer genoeg een herinnering die enkel voortleeft in onze hoofden. Mijn dierbare vrouw heeft het namelijk gepresteerd om de tas met het fototoestel waarop tientallen plaatjes stonden, op de luchthaven te laten staan. Van onze reis naar New York bestaat dus niet het minste tastbaar bewijs. Maar geloof me alstublieft: van dit relaas is geen letter verzonnen! Het was een droomreis en geen gedroomde reis! Ik zweer het op de hoofden van onze kinderen.  Hieronder kunnen je vrienden zich aanmelden. Jullie krijgen beiden gelijk een beloning van 125 Yp. Je kunt het helemaal bewerken en op maat maken. Weghalen is ook heel eenvoudig met het rode kruisje als je er met je muis op gaat staan. Beloon de maker en jezelf Word gratis lid. Aanmelden

#cybercriminaliteit
27Nov2016
Hoed je voor cybercriminelen!
Lou Geluyckens

Wat is er leuker dan nieuwe vrienden maken? Vers bloed verzacht het gemoed. Ik maak graag nieuwe vrienden. Temeer omdat het doorgaans iets is wat ongecontroleerd gebeurt. Het overkomt je. Je bent op reis en ontmoet mensen die je leuk vindt. Vaak verlies je elkaar bij thuiskomst uit het oog. Maar soms slaat de vonk over en houd je contact. Leuk! Of je gaat naar een feestje en raakt met iemand aan de praat die je interesses deelt. Fijn! Of er gebeurt iets op straat, waardoor je met een wildvreemde een praatje begint te slaan. Ook daaruit kan een vriendschap ontstaan. Of je krijgt er een nieuwe collega bij, die je zo bevalt dat je er buiten het werk mee afspreekt. De laatste jaren ontstaan vriendschappen ook op een virtuele manier. Je leert elkaar kennen omdat je beiden op dezelfde social media actief bent. Je praat met elkaar, deelt interesses en soms denk je: zou het niet leuk zijn om de mens achter die berichten eens écht te ontmoeten? Als je denkt dat de interesse wederzijds is, stel je een ontmoeting voor. Als het dan geen teleurstelling wordt, kan ook uit die ontmoeting een vriendschap ontstaan. Mooi toch! Maar doorgaans blijven deze vriendschappen virtueel. Dat kan wel eens tot verwarring leiden. Zeker als je een gigantische hoop volgers hebt, kun je niet alle namen in je geheugen hebben opgeslagen. Sommige namen zijn ook fictief. Of schuilnamen. Laatst kreeg ik een mail in mijn inbox van een man die ik niet dacht te kennen, maar die blijk gaf van het tegendeel. Uit zijn kort bericht kon ik opmaken dat we op een eerder tijdstip al contact met elkaar hadden gehad. Ik groef in mijn geheugen, maar kon me niks in die zin herinneren. Nochtans leek ik geld van de man tegoed te hebben. 4.385 euro of iets van die strekking. Dat stelde hij onomwonden. Geen onaardig bedrag als aanvulling op mijn maandloon. Om in het bezit te komen van dat geld, moest ik even klikken op een linkje onderaan de mail, mijn gegevens invullen en klaar was kees. Ik zette mijn cursor op de blauwe link en hield mijn wijsvinger in de aanslag boven mijn muisknop. Maar toen ging er plots een alarmbelletje rinkelen in mijn hoofd. Was deze man wel écht een bekende van mij? En waar zou ik dat bedrag dan wel aan hebben verdiend? Ik had bij mijn weten geen prestatie verricht die het innen van deze som zou rechtvaardigen. Mijn vinger ging van de knop en ik besloot eens rond te vragen bij een paar échte vrienden of zij de man kenden die me aanschreef. Nederlandse vrienden, want in het mailtje was sprake van “de Hollandse methode”. “P, ken jij toevallig ene Frits Van Dijk?” Geen antwoord. Ook goede vrienden zijn niet altijd online. Een vriendin dan maar. “M, heb jij misschien al eens gehoord van een zekere Frits Van Dijk?” Antwoord: “Kan niet zo plaatsen. Wat is er met hem.” Daar schoot ik niks mee op. Dan maar even googelen. Deze wonderlijke zoekmachine had me tenslotte eerder al heel wat diensten bewezen in mijn zoektocht naar iets of iemand. Ik tikte in: Frits Van Dijk. Dit is wat ik te lezen kreeg: “Honderdduizenden euro’s, in 1 maand! Dat kan jij ook.. Hallo, Ik ben Frits van Dijk, en ik heb mijn opleiding niet afgemaakt en ik ben geen rekenwonder. Ik heb net de manier ontdekt om miljoenen te verdienen met binaire opties en nu wil ik dat ook voor mijn ouders en gezin! Waarom de Hollandse Methode? Als het niet werkt, betaal ik €10.000 uit eigen zak Let’s gooo! Het is wel zo makkelijk in gebruik dat iedereen zonder enige ervaring binnen een half uur geld kan verdienen Nu direct! Ben jij er klaar voor ? Verdien ook keiharde cash!” Je moet geen geldwolf zijn om warm te lopen van zo’n bericht. Wie wil niet honderdduizenden euro’s in 1 maand verdienen? En dan nog zonder er iets voor te doen. De ontluistering volgde snel. Naast de tekst van de heer Van Dijk prijkte immers een andere tekst. Die ging als volgt: “Hiernaast ziet u een phishingmail. Hiermee proberen cybercriminelen uw gegevens binnen te hengelen.” Dat wierp al een heel ander licht op de zaak. De tekst bevatte een duidelijke waarschuwing en ging verder als volgt: “Advies: Negeer deze berichten en verwijder ze uit uw inbox. Zolang u niet op een link heeft geklikt of een bijlage heeft geopend kunnen deze mails geen kwaad. Heeft u uw gegevens ingevuld op een onbetrouwbare site? Lees hier wat u het beste kunt doen.” Ik ben mijn wijsvinger eeuwig dankbaar dat hij niet in een impuls op de knop van de muis heeft gedrukt. Hij heeft me door zijn koppigheid heel wat ellende bespaart. Dus, beste mensen, wees gewaarschuwd. Als u een mail krijgt van wat u denkt dat een suikeroom is: NIET OP INGAAN ! Geld komt u nooit zomaar toegewaaid! Hoed u voor Frits Van Dijk en consoorten! Stel het met uw maandloon of verdien wat bij op een legale manier. Of doe wat u wilt. Maar laat u door deze criminelen niet uitpersen als een citroen. 

#Legendarische schurken
27Nov2016
De grootste schurk aller tijden
Lou Geluyckens

Als reactie op mijn artikel Napoleon versus Hitler (http://sumo.ly/seqt via @Yoorsonly) wees een lezer me erop dat misschien niet Hitler maar Stalin wel eens de grootste misdadiger aller tijden kon zijn. Hij had een punt. Als we het over legendarische schurken hebben, tirannen, despoten, dictators - noem het hoe je wilt - mag deze baarlijke duivel inderdaad niet ontbreken. De Russische alleenheerser - officieel secretaris-generaal van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie - wiens echte naam luidde:  Ioseb dze Besarionis Dzjoegasjvili, was een despoot zonder weerga. Een tiran die geen genade kende voor zijn vijanden. En die laatste waren talrijk. Redenen genoeg om een artikel te wijden aan de man die de USSR leidde van 1928 tot 1953, dacht ik. Echter… hoe meer opzoekwerk ik verrichtte, hoe duidelijker het werd dat het niet eenvoudig is om uit te maken wie nu precies de wreedste leider aller tijden is geweest. Is het aantal dodelijke slachtoffers de voornaamste waardemeter, dan heeft Stalin namelijk heel wat concurrentie te duchten. Niet alleen van Hitler. Deze man, wiens wandaden nog vers in het geheugen liggen, heeft in totaal zo'n elf miljoen mensen laten elimineren. Dat is een waanzinnig aantal. Maar om in het Guinness book of records te worden opgenomen, had hij nog wat sterker uit de hoek moeten komen. Ik zet even een aantal van de meest moordlustige leiders op een rijtje. Vormt u zichzelf dan maar een oordeel. 1. IDI AMIN DADA: Een man die zonder twijfel tot één van de ergste der moordzuchtige alleenheersers mag worden gerekend, is Idi Amin Dada Oumee. Deze dictator, die van 1971 tot 1979 een schrikbewind voerde over Oeganda heeft circa 300.000 doden op zijn geweten. Niet voor niets was zijn bijnaam “de slachter van Afrika”. In januari 1971 greep generaal Idi Amin Dada (een ex-bokskampioen) middels een staatsgreep en in afwezigheid van president Milton Obote de macht over Oeganda. Militaire leiders die de coup niet steunden, werden op staande voet geëxecuteerd. In 1972 verjoeg hij de welvarende Oegandese Indiase gemeenschap, zo’n slordige 40.000 mensen.  Indiase inwoners die weigerden te vertrekken, werden zonder uitzondering vermoord. In een statement beweerde hij dat hij daartoe was opgeroepen door God. Zijn ondergang bewerkstelligde Dada zelf door in 1978 Tanzania binnen te vallen. De weerstand was vele malen groter dan verwacht en een jaar later werd hij door het Tanzaniaanse leger verjaagd, met behulp van Oegandese guerrillastrijders. Dada zocht en kreeg na vele omzwervingen asiel in Djedda, waar hij in augustus 2003 stierf. 2. CHARLES TAYLOR: Aan de andere kant van Afrika, meer bepaald in Liberia, ging de bevolking ook jarenlang gebukt onder het beleid van een despoot. Charles Taylor is in het Internationaal Gerechtshof in Den Haag en de rechtszaal van het Libanontribunaal in Leidschendam berecht voor niet minder dan elf (oorlogs)misdaden, waaronder terroristische handelingen, seksuele slavernij, schendingen van de menselijke waardigheid, inzet van kindsoldaten, moord, verkrachting en zo meer. Geschat wordt dat hij bruutweg “honderdduizenden” doden en gewonden op zijn geweten heeft.  3. KONING LEOPOLD II VAN BELGIË: Waar het er in Afrika ook decennialang uitermate wreed aan toe ging, is Congo. Alleen was daar geen Afrikaan verantwoordelijk voor de misdaden die werden begaan, maar een Belg! Meer bepaald Leopold II, de tweede koning der Belgen. Congo, dat hij beschouwde als een privékolonie, ging vanaf 1876 tot 1908 gebukt onder een vreselijke regime. Congo (door Leopold omgedoopt tot Kongo-Vrijstaat) werd door de man met de typerende lange witte baard zowat leeggeplunderd. Hij bestuurde het land brutaal en slechts met het oog op eigen gewin. Hij haalde zijn fortuin uit de handel in ivoor en het verzamelen van het sap van rubberplanten, waartoe de inheemse bevolking werd gedwongen. Met behulp van een chicotte (een zweep van nijlpaardenhuid) hielden agenten de discipline erin. Van volwassenen en kinderen, die een onvoldoende hoeveelheid rubber ophaalden, werden de handen afgehakt, waarna deze werden gerookt en opgestuurd naar de Belgische aannemers ter telling. Per dag werd ongeveer een ton (!) aan afgehakte handen geteld. Verder kregen dorpen, die hun opgelegde quota’s niet haalden, strafexpedities op zich afgestuurd. Hutten werden platgebrand en hele families uitgemoord. Op die manier raakten stilaan hele gebieden ontvolkt. Volgens demografisch onderzoek werd de Congolese bevolking tussen 1880 en 1920 gereduceerd tot de helft, als gevolg van executies, ziekte en ontbering. Maar ook door een sterk gedaald geboortecijfer, een gevolg van gedwongen scheiding der gezinnen. Pas toen Leopold II zijn levenseinde zag naderen, besliste hij het land op te geven en over te dragen aan de Belgische staat, waarna het van 1908 tot 1960 een Belgische kolonie was (Belgisch-Kongo). Leopold II wordt verantwoordelijk geacht voor de dood van naar schatting tien miljoen mensen. Geen wonder dat soms weleens termen als genocide of zelfs holocaust in de mond worden genomen. Pittig detail: Leopold II zette nooit een voet in Congo. 4. POL POT: Het moet echter niet altijd Afrika zijn waar terreur heerst. In Cambodja (Zuidoost-Azië) weet men ook wat een schrikbewind is. Van 1975 tot 1979 werd het land geregeerd door Pol Pot. Met zijn communistische Rode Khmer trachtte Pot een utopische wereld te creëren. Artsen, leerkrachten en andere mensen met voorname beroepen werden onder dwang naar het platteland gestuurd om boer te worden. Zij die weigerden kwamen in speciale centra terecht waar ze gefolterd werden tot de dood. Zowat iedereen die intellectuele bagage had kwam op die manier aan zijn einde. Vaak werden mensen zelfs veroordeeld en vermoord omdat ze een bril droegen of een andere taal kenden dan het Khmer (de officiële taal van Cambodja). Onder het al bij al kortstondige bewind van Pol Pot, vonden bijna twee miljoen Cambodjanen de dood, en dat op een bevolking van ongeveer zeven miljoen. 5. IVAN IV:   Deels in Azië, deels in Europa ligt Rusland. Ook dit oneindig grote land heeft een bewogen geschiedenis achter de rug, wat zijn leiders betreft. Van 1547 tot 1584 heerste Ivan IV over Rusland. Deze eerste der tsaren is beter bekend onder zijn bijnaam Ivan de Verschrikkelijke. Tijdens zijn terreurbewind zaaide zijn geheime politie naar hartenlust dood en verderf onder het gewone volk, en werden de belangrijkste adellijke families tot de laatste telg uitgemoord. Bovendien ruïneerde hij de Russische economie door het voeren van een 22 jaar durende oorlog met Zweden, Polen-Litouwen en de Duitse Orde. Hoeveel slachtoffers Ivan de Verschrikkelijke tijdens zijn bewind heeft gemaakt, is niet precies te achterhalen. Maar volgens de overlevering liet hij op een bepaald moment zoveel mensen tegelijk ombrengen dat een rivier buiten zijn oevers trad omdat er zoveel lijken in lagen. Officieel stierf Ivan IV aan een beroerte tijdens een spelletje schaak. Maar vermoed wordt dat hij werd vergiftigd door de bojaren (leden van de feodale aristocratie in Rusland). 6. VLADIMIR LENIN: Een andere Russische leider die geen doetje was, is de eerste communistische premier van de Sovjet-Unie: Vladimir Lenin. Echte naam: Vladimir Iljitsj Oeljanov. Nadat Lenins partij de macht over heel Rusland kreeg, werd gestart met alle tegenstanders van het communisme te liquideren. Onschuldige burgers werden beschuldigd van samenzwering tegen de partij en werden gedood of naar strafkampen gestuurd. De landhuizen van grondbezitters werden in brand gestoken en de burgerij werd gedwongen vernederende arbeid te verrichten zoals het poetsen van latrines. Ook voerde Lenin terreur tegen het Russisch orthodoxe christelijk geloof. Onder het bewind van Lenin brak tevens de Russische hongersnood van 1921 uit. Dit was een gevolg van de grootschalige inbeslagnames van voedsel door de bolsjewieken, de sterk teruggelopen productie in de industrie en landbouw, gecombineerd met 7 jaar oorlog. Miljoenen mensen vonden de dood tijdens deze hongersnood.  Onder Lenins goedkeurend oog werden ook de voormalige Russische tsaar Nicolaas II, zijn vrouw en zijn kinderen geëxecuteerd. Zonder proces! Allemaal weinig fraais, maar wat enigszins ten voordele van Lenin pleit, is dat hij - hoewel hij aan het hoofd stond van een dictatuur - geen alleenheerser was. Alle belangrijke beslissingen moesten worden goedgekeurd door de Partij. Dat maakt dat Lenin lang niet in zo’n kwaad daglicht is komen te staan als zijn opvolger: Jozef Stalin. 7. JOZEF STALIN: Stalin greep de macht in de toenmalige Sovjet-Unie in 1928, vier jaar na de dood van Lenin, na een woelige machtsstrijd met onder meer Leon Trotski en Grigori Zinovjev. 25 jaar lang - tot aan zijn dood in 1953 - wist hij die macht te behouden. Wat hij in tussentijd aan slachtoffers maakte, tart iedere verbeelding. Stalins beleid was erop gericht Rusland in snel tempo tot een grootmacht te transformeren. Hij drukte in de vroege jaren 30 een snelle industrialisatie door en wist de economische ontwikkeling enorm te stimuleren. Helaas ging dit gepaard met een ware heksenjacht “de Grote Zuivering” genaamd. Tegenstanders als Leon Trotski en Grigori  Zinovjev werden op zijn bevel vermoord, en de halve legerleiding, waaronder de geniale maarschalk Michail Toechatsjevski, terechtgesteld. Staatshoofden, premiers en partijleiders van deelrepublieken, voormalige oppositieleiders, geestelijken, intellectuelen, kunstenaars, maar ook gewone burgers werden het slachtoffer van Stalins 'zuiveringen'. De goelags (strafkampen) zaten overvol. Volgens beschikbare statistieken, en bevestigd door Russische veiligheidsfunctionarissen, zijn in de periode van 1929 tot 1953 ongeveer 18 miljoen sovjetburgers door de kampen gegaan en daarnaast nog eens 10 miljoen buitenlanders waaronder Duitse en Japanse krijgsgevangenen, Polen, Finnen, Balten en andere etnische minderheden. Een historicus die op grond van de beschikbare archieven een telling heeft uitgevoerd van het aantal doden in de Stalinistische periode, kwam op een totaal van 2.749.163. Hierin zijn de verliezen bij transport, de massa-executies van politieke gevangenen en de sterfte in de gevangenissen tijdens verhoor en verblijf niet begrepen. Bovendien werd een gevangene, vlak voordat deze leek te gaan sterven, vaak uit de gevangenis ontslagen om de statistieken qua sterfte binnen de perken te houden. Het echte dodencijfer zal in werkelijkheid dus ontelbare malen hoger liggen. Een tienvoud lijkt me niet overdreven. Een vreselijk rapport. Maar maakt dit Stalin nu tot grootste crimineel uit de geschiedenis? Het antwoord is: neen. Zeker één man heeft nog een veel groter aantal slachtoffers op zijn geweten: 8. Mao Zedong: Deze oprichter van de communistische volksrepubliek China leidde zijn land op dictatoriale wijze. Het bewind van Mao heeft grote gevolgen gehad voor de Chinese samenleving en het verloop van de geschiedenis van het land. De historische cultuur en gemeenschap van China is door zijn beleid radicaal veranderd. Vele religieuze plaatsen alsook relikwieën zijn op zijn bevel vernield, in een poging 'het bewustzijn van de natie' te 'moderniseren'. Geweld en terreur werden niet geschuwd om zijn politieke doelen te verwezenlijken. Honderdduizenden mensen pleegden - al dan niet gedwongen - zelfmoord. Dit gebeurde voornamelijk tijdens de Drie Anti-Campagne van 1951 en de Vijf Anti-Campagne van 1952. Deze campagnes waren gericht tegen bureaucratie, corruptie en omkoping. Arbeiders werden ertoe aangezet hun collega's en bazen aan te geven, vrouwen hun mannen, en kinderen hun ouders. "Daders" werden gedwongen bekentenissen af te leggen, waarna zij in veel gevallen de hand sloegen aan zichzelf. Daarnaast nam Mao enkele zeer onverstandige beslissingen, getuige “de Grote Mussencampagne”. Omdat mussen graszaden aten en daardoor de landbouw verstoorden werd beslist deze vogel uit te roeien. Er werd aan alle boeren in China opdracht gegeven pannen en potten te gebruiken om lawaai te maken zodat de mussen te bang zouden zijn om te landen en uiteindelijk uit de lucht zouden vallen van uitputting. Plichtsgetrouw - of uit angst - volgden veel Chinezen dit bevel op, waardoor de mus effectief bijna werd uitgeroeid. Mao had echter één belangrijk feit over het hoofd gezien. Zonder de mussen werden de sprinkhanen niet meer opgegeten, waardoor het gehele Chinese platteland werd getroffen door sprinkhanenplagen, met een zeer ernstige hongersnood tot gevolg. Tussen 1959 en 1961 stierven niet minder dan 36 miljoen mensen de hongerdood. Alles bij elkaar heeft Mao Zedong naar schatting tussen de 40 en de 72 miljoen doden op zijn geweten, wat hem - mijns inziens - tot de meest beschamende leider aller tijden maakt.     Bronnen:  Business Insider Anne Applebaum, Goelag : een geschiedenis Een geschiedenis van Rusland - Van Rurik tot Poetin Wikipedia

#Roman
24Oct2016
Tot ziens, Marianne (slot)
Lou Geluyckens

Jan heeft me laten plaatsnemen aan een grote ovalen tafel waarrond tien mensen kunnen zitten. Ik heb bij het binnenkomen de stoelen geteld. Hij zei dat ik hier moest wachten. Ik weet niet waarom. Hij deed geheimzinnig, alsof hij een verrassing voor me in petto had. Nadien is hij buitengegaan en heeft de deur achter zich dichtgetrokken.   Ik zit hier nu al een hele tijd geduldig te wachten. Hoe lang weet ik niet precies, want het lijkt alsof ik alle gevoel voor tijd ben kwijtgeraakt. Alsof ik in een andere dimensie verkeer. Maar net heb ik hem op de gang weer horen praten. Geen idee met wie. Ik hoor stemmen achter de deur. Stemmen die ik niet kan thuisbrengen omdat ze te zacht praten. Enkel de stem van Jan kan ik onderscheiden. Hij heeft de deurkruk in zijn hand. Dat weet ik omdat ze kleine bewegingen maakt. Soms gaat ze helemaal naar beneden en houd ik gespannen mijn adem in. Maar dan gaat ze weer omhoog en zet het gesprek zich verder. Het zweet breekt me uit. Van de spanning. Maar ook omdat ik nog steeds al mijn polo’s en T-shirts over elkaar draag. Ik durf ze niet uit te trekken uit angst dat ik straks weer op de straat zal worden gezet.     Ik richt mijn blik op de deur. Het gesprek is stilgevallen en de klink gaat helemaal naar beneden. Ik durf haast geen adem meer te halen en kijk gespannen toe. Jan is de eerste die binnenkomt. Hij kijkt me aan alsof hij naar mijn reactie wil peilen. Ik recht mijn rug en werp een blik achter hem. Mijn hart springt op wanneer ik moeder de kamer zie betreden, op de voet gevolgd door vader. Ik veer op en zet me klaar om de aanval van moeder op te vangen. Het lijkt me een evidentie dat ze me wenend om de nek zal vallen. Om de verloren gewaande zoon, die is teruggekeerd, te begroeten. Maar ze valt me niet om de nek. Ze doet helemaal niets. Ze kijkt me enkel aan met ogen die raar staan. Er schuilt iets vreemds in haar blik. Het heeft iets van een vrouw die net een kind heeft gebaard en een soort van onbestemde weerzin voelt voor haar baby. Het brengt me van de wijs. Jan biedt hen een stoel aan recht tegenover mij. We zitten aan dezelfde tafel, maar er lijkt een grote afstand tussen ons te bestaan. Vader ontwijkt mijn blik. Moeder niet. Zij blijft me de hele tijd op een rare manier aankijken.   “Dag Bob,” mompelt ze. Ik bekijk haar bezorgd. Hoe noemt ze me? Bob? Vergist ze zich omdat ze nerveus is? Of is haar geheugen aangetast? Wat is er toch aan de hand met hen?     “Hoe ziet hij eruit?” hoor ik vader opmerken. “Hij heeft zich dagen niet gewassen, lijkt het. En hij draagt al zijn kleren boven elkaar!” Ik kijk hem aan. Hij heeft de vraag aan Jan gericht, maar die antwoordt niet. Jan is bezig plaats te nemen aan de tafel. Hij schuift zodanig met zijn stoel dat een oorverdovend geluid de woorden van vader overstemt. In de kale ruimte klinkt het als een dreigende donder.   “Gaat het niet, jongen?” vraagt moeder me nadat het geluid is uitgestorven. Ik richt mijn blik op haar. Beseft ze dan niet wat ik heb doorgemaakt de laatste dagen? Doordat zij het hebben nagelaten me in te lichten over de afbraak van ons huis.   “Waar is ons huis gebleven?” stel ik de vraag.   “Ons huis?!?” Moeder werpt een zijdelingse blik op Jan om bijstand te vragen. Als iemand die het antwoord schuldig moet blijven op een netelig vraagstuk en bij een kenner te rade gaat. Haar handen liggen op haar handtas, die ze op haar schoot heeft staan. Ze perst haar vingers zodanig hard in het leer dat haar knokkels wit uitslaan. Jan schudt zachtjes zijn hoofd en tuit sussend zijn lippen. Ik kijk om beurten naar hem en haar. Ik begrijp niets van hun lichaamstaal.   “Afijn, het gaat dus weer helemaal de verkeerde kant op met hem,” hoor ik vader zeggen. Mijn blik schiet naar hem. De ouwe leunt met één elleboog op tafel en trommelt nerveus met zijn vingers op het blad.    “Ik vrees dat ons optimisme van vorige keer een beetje voorbarig was,” knikt Jan.   “Wat is er dan gebeurd dat hij weer…?” Moeder maakt haar zin niet af.   “Geen idee,” antwoordt Jan. “Sinds een paar dagen is hij weer helemaal gedesoriënteerd.” Ze kijken allemaal naar mij. Jan op een meelevende manier. Moeder met een wat trieste blik. Vader kijkt niet rechtstreeks naar me. Hij begluurt me met korte tussenpozen vanuit zijn ooghoeken, als hij denkt dat ik het niet zie. Hij lijkt om de één of andere reden erg nerveus te zijn. Zijn haarlok verschuift geen millimeter, maar toch doet hij verwoede pogingen om ze op haar plaats te houden.   “Maar wat is nu precies de reden waarom u ons in dit hondenweer de baan heeft opgestuurd?” hoor ik hem zich tot Jan richten. Moeder stompt hem aan en gebaart iets met haar ogen. Ik denk dat ze wil dat hij zijn fatsoen houdt. Dat blijkt ook uit de geprikkeldheid waarmee vader reageert. Jan haalt diep adem. “Wel… ik heb een gesprek gehad met de behandelende klinisch psychologe,” zegt hij. “Zij vond de toestand dermate ernstig dat ze aandrong op een snel gesprek met u.”   “Waarom? Wat denkt ze daarmee te bereiken?” doet vader bijtend.   “Tja… ze zou graag een aantal dingen uitklaren.”   “Zoals?” Het wantrouwen staat in vaders ogen te lezen. Hij legt zijn haarlok nogmaals goed.   “Sta me toe het aan de behandelende arts te laten om u daarover te informeren,” ontwijkt Jan zijn vraag. “Ik laat haar even weten dat zij u kan zien.” Hij legt zijn hand op de telefoon. “Dat kan toch?” Hij wacht op een teken van vader of moeder om de hoorn op te nemen. Mijn ouders bekijken elkaar van terzijde, zonder een woord met elkaar te wisselen. Moeder neemt de beslissing. Ze knikt om toestemming te geven. Jan licht de hoorn van de haak en toets een nummer in.   “Dokter Williams? Ik heb hier de heer en mevrouw Wolfs tegenover me zitten. Kunt u… Oké. Tot zo.” Hij legt de hoorn op de haak.   “Ze is al onderweg,” meldt hij.   Er valt een ongemakkelijke stilte. Moeder frutselt aan de draagriem van haar handtas, terwijl vader zenuwachtig op de tafel blijft tokkelen.   “Wel een pák sneeuw dat we de afgelopen nacht over ons heen hebben gehad,” merkt Jan op om de stilte te verdrijven.   “U weet het dan toch,” sakkert vader. Moeder stoot hem aan met haar elleboog.   “Het is toch waar,” gebaart hij geïrriteerd.   “Let maar niet op hem,” zegt moeder verontschuldigend tegen Jan. “Mijn man is een beetje over zijn toeren. We hadden net bijna een aanrijding.”   “Komt daar zo’n gek uit een zijstraat gevlamd,” valt vader in. Zijn stem slaat over van irritatie. “Je hebt geen idee hoe sommige mensen durven te rijden met zo’n weer. Maar ja, het was weer een jonge gast. Die denken natuurlijk allemaal dat ze onsterfelijk zijn.”   “Ja, het besef van eindigheid komt pas met de jaren,” knikt Jan.   “Ach, er is geen man overboord,” zegt moeder. Vader bekijkt haar vernietigend.   “Wat? Je hebt hem toch kunnen ontwijken,” zegt ze.   “Ja, maar straks is het misschien prijs!” sneert vader. “En dat allemaal omdat we…”   “Edouard!” doet moeder. Ik volg het hele gesprek als een pingpongspel.   In de gang klinken intussen trage, zware voetstappen en een hijgende adem, als van een sjouwer die een groot gewicht aandraagt. Iedereen richt zijn blik op de openstaande deur, behalve ik. Ik voel me vreemd, alsof ik me in een vacuüm bevind en alles buiten me om gebeurt. De voetstappen komen langzaam dichterbij en houden halt bij de deur.   “Goedemorgen,” klinkt het. Ik kijk op en veer zo onstuimig recht dat mijn stoel achter me tegen de muur knalt. De vrouw, die in het deurgat heeft postgevat, is niemand minder dan… Marianne! Ik loop om de tafel heen en wil haar om de hals vliegen, maar ze wijkt achteruit. Alsof ze bang van me is. Of vies.   “Marianne, ik ben zo blij je te zien,” zeg ik. Ze kijkt me aan met een wat angstige blik. Ik wil mijn armen om haar heen slaan, maar bedenk dat mijn ouders aan de tafel zitten. Die zouden dit niet waarderen. Bovendien dringt een onaangename geur tot mij door. Iets als een mengeling van bleekwater, een lookadem en zuur zweet. Ik doe een stap achteruit en bekijk Marianne. Nu pas valt me op hoe vreselijk ze eruitziet. Ze is moddervet! Haar dijen tekenen zich af in haar rok als de hespen van een zeug. Haar borsten gaan naadloos over in haar puilende buik. Haar oogleden zijn zo gezwollen dat het een wonder mag heten dat ze nog iets kan zien. En ze hijgt als een hond.   Ze loopt in een boog om me heen en schudt mijn beide ouders vluchtig de hand, waarna ze neerzijgt op een stoel, die kraakt onder haar gewicht. De zucht die ze slaakt lijkt op de laatste ademtocht van een stervende olifant.   “Bedankt dat u zo snel wilde komen,” hoor ik haar zeggen. Elk woord dat ze spreekt lijkt haar de gehele inhoud van haar longen te vergen. Ik kijk naar moeder, die een vals-onderdanige blik in haar ogen heeft. Het is de blik die ze hanteert tegenover mensen die op intellectueel vlak boven haar staan… om nadien achter hun rug snoeihard naar hen uit te halen. Uit opgekropte frustratie.   “Ik neem aan dat mijnheer Byttebier u op de hoogte heeft gebracht van de toestand,” hoor ik Marianne zeggen.   “Dat het weer moeilijker gaat,” knikt moeder.   “Inderdaad.” Alsof die paar woorden haar hebben uitgeput, neemt Marianne haar zakdoek en dept het zweet van haar voorhoofd. Hoewel de koude buiten om te snijden is, zweet zij als een rund.   “Ik was ervan overtuigd dat we op goede weg waren,” hijgt ze. “Maar sinds enkele dagen baart zijn toestand me weer ernstig zorgen.”   “En wat verwacht u nu van ons?” vraagt vader nukkig. “Wij hebben hem laten opnemen omdat we er geen raad mee wisten. En nu laat u ons door zo’n hondenweer komen om een gesprek met ons te hebben. Alsof wij zomaar met een oplossing voor de dag zullen komen.” Moeder tikt onder de tafel vermanend met haar hand tegen zijn dij.   “Het is toch waar!” beeldt hij uit, zonder een klank uit te stoten.   “Ik verwacht helemaal niet dat u met een oplossing voor de dag komt,” antwoordt Marianne. “U kúnt geen oplossing bieden. Althans niet op korte termijn. Maar ik had wél graag op uw medewerking gerekend.”   “In welke zin?” vraagt moeder.   “Kijk. Om de jongen adequater te kunnen behandelen, denk ik dat het noodzaak is dat we de hele situatie onder de loep nemen. Uit de anamnese heb ik namelijk onvoldoende informatie kunnen puren. Uw zoon laat weinig los over zichzelf. Dat is een oud zeer. Daarom denk ik dat het nuttig zou zijn indien we een psychologische screening zouden doorvoeren.”   “En wat houdt dat in, zo’n psycho-dinges?” vraagt moeder.   “Dat houdt onder meer in dat ik graag met u beiden - afzonderlijk van elkaar - een diepgravend gesprek zou hebben…”   “Met welke bedoeling?” wil vader weten. Zijn oogleden flapperen als kolibrievleugels.   “Ik wil trachten te achterhalen of er sprake is van uitlokkende factoren,” antwoordt Marianne. “En zo ja, welke deze zijn. Daarom is het nodig dat ik inzicht krijg in de gezinssituatie. Ik wil weten of er opvoedkundig wat misgelopen is, dan wel dat er erfelijke factoren zijn die een rol spelen…”   “Nu nog mooier! U wilt de oorzaak voor zijn toestand bij ons zoeken,” roept vader uit. “Straks gaat u nog beweren dat we onze zoon hebben mishandeld!”   “Dat zégt ze toch niet!” gaat moeder tegen hem in. “Laat mevrouw de dokter nu eens uitspreken.” Vader houdt met tegenzin zijn klep. Als een berispt kind gaat hij verongelijkt uit het raam zitten staren. Marianne bedankt moeder met een haast onmerkbaar hoofdknikje.   “Het enige wat ik hoop te achterhalen is of erfelijkheid een rol speelt,” vervolgt ze. “Dat kan namelijk bepalend zijn voor de aanpak. Het valt me bijvoorbeeld op dat ook mijnheer het erg moeilijk heeft met emoties.”   “Oké! Het is dus al beklonken! ” roept vader pathetisch uit. “Ik ben de schuldige!”   “Mijnheer, een schuldvraag wordt hier niet gesteld,” sust Marianne, “U staat niet terecht voor een volkstribunaal. Maar we kunnen er nu eenmaal niet omheen dat u weinig betrokkenheid toont tegenover uw zoon.”   “Wat wilt u dan dat ik doe? Hem op de schoot nemen? Zijn handje vasthouden? Luister, mevrouw, ik ben misschien nog van de oude stempel, maar het laatste wat ik wil is eieren leggen onder de jongen. Met dat softe gedoe van tegenwoordig! Ik ben zelf ook gevormd met schoppen onder mijn kont.”   “En daar schuilt misschien een deel van het probleem,” pikt Marianne meteen in.   “Hoe bedoelt u?”   “Agressie zet zich soms door van vader op zoon.”   “Wat? Dit pik ik niet!” roept vader uit. Hij veert bruusk recht, waardoor zijn haarlok voor zijn ogen schuift.   “Mijnheer, wees alstublieft rustig,” mengt Jan zich in de discussie. Hij tracht vader met een uitgestoken hand te bedaren. “Hiermee helpen we de jongen niet.”   “Moet ik me dan zomaar de schuld laten aanpraten voor zijn toestand?”   “Voor de duidelijkheid: ik wil u geen schuld aanpraten, mijnheer,” zegt Marianne bedaard. “Ik wil enkel tot een constructief gesprek komen. Gaat u alstublieft weer zitten.” Moeder trekt vader bij de mouw en dwingt hem zo om weer plaats te nemen. Vader snuift verongelijkt en strijkt geïrriteerd met zijn hand door zijn haar.   “Kijk,” vervolgt Marianne, “wat ik wil aantonen is dat het me niet zou verwonderen indien uw onvermogen om met emoties om te gaan, het gevolg is van de Spartaanse opvoeding die u hebt genoten.”   “Wat is er mis met een Spartaanse opvoeding?” valt vader haar in de rede. “Ik ben blij dat mijn vader me zo heeft opgevoed. Dat heeft me gehard.”   “U bent er misschien nog goed mee weggekomen,” zegt Marianne, “maar u mag niet uit het oog verliezen dat uw zoon geen alledaagse jongen is. Hij is broos. Zijn mentale toestand vergt een voorzichtige aanpak. U kunt de jongen vergelijken met een vaas uit het fijnste kristal. Of beter nog: een kopje uit het kwetsbaarste porselein. U kunt wel zeggen: dit kopje is vies. Het moet dringend in de vaat. Dat kunt u doen, maar u kunt het niet in de vaatwasmachine steken, want dan gaat het kapot. U zult het voorzichtig moeten schoonmaken met een doekje. Zo ongeveer is het ook met uw zoon. U moet hem met omzichtigheid behandelen.”   “Mevrouw, het laatste wat ik wil, is van mijn kind een watje maken. We leven in een harde maatschappij. Mijn standpunt is dat je als ouder je kind beter kunt voorbereiden op zijn toekomst die niet noodzakelijk de eenvoudigste zal zijn.”   “En u vindt het geen bezwaar dat uw zoon zich daardoor steeds meer in zichzelf keert en een fantasieleven is gaan leiden?” Vader haalt achteloos de schouders op.   “Luister, mijnheer, het is in het belang van de jongen dat we zo snel mogelijk werk maken van een psychologische screening,” benadrukt Marianne.   “Maar wat denkt u nu te achterhalen dat u nog niet weet?” reageert vader geërgerd.   “Dat kan ik onmogelijk op voorhand inschatten, mijnheer. Als ik dat wist, zou ik geen screening meer hoeven door te voeren. Maar ik kan u wel verzekeren dat het niet de eerste keer zou zijn dat in zulke gesprekken dingen naar boven komen die u zelf als onbelangrijk beschouwt, of zelfs vergeten bent, maar die in wezen de sleutel vormen tot het probleem. Kan ik rekenen op uw medewerking?”   “Heb ik een andere keuze,” mompelt vader.   “U kunt op ons rekenen,” knikt moeder.   “Prima.” Marianne hijst zich overeind. Dat gaat zo moeizaam dat het lijkt alsof ze na een dagenlange tocht eindelijk de top van de Mount Everest bereikt. De geringste beweging put haar uit.   “Met uw goedvinden wil ik dan eerst even de jongen persoonlijk naar zijn kamer begeleiden,” zegt ze. “Daarna roep ik u afzonderlijk bij mij. Is dat goed?” Vader wil niet reageren. Moeder knikt bevestigend. Marianne loopt naar de deur en wenkt me met haar hoofd. Ik sta op en volg haar, slaafs als een hondje.   Het voelt onwennig om weer in de nabijheid van Marianne te vertoeven. Ik kan mijn geluk niet op dat ik haar levend terugzie, maar niets is nog als vroeger. Er is geen spoor van spontaniteit meer. En ze geeft ook geen blijk van blijdschap omdat we herenigd zijn. Dat kwelt me. Ik wil wat tegen haar zeggen, maar weet niet wat. En zelf zwijgt ze ook als vermoord. Het enige wat de stilte doorbreekt is haar hijgende adem en zware voetstappen. Wat loopt ze moeilijk! Bij elke pas die ze zet, helt haar hele lichaam over. Van links naar rechts en weer terug, alsof haar benen telkens een evenwichtspunt moeten zoeken om niet onder dat forse lijf te bezwijken. Ik vind het vreselijk hoe ze er aan toe is. Het maakt dat ik me nog schuldiger voel dan voorheen.   Halverwege de gang stijgt een enerverend repetitief deuntje op uit de zak van haar openhangende witte schort. Marianne houdt halt en haalt haar mobiele telefoon tevoorschijn. Ze drukt het toestel tegen haar zweetkop en zegt: “Ja?” De volgende halve minuut zegt ze geen woord meer. Ze knikt enkel af en toe, alsof ze meent dat de persoon aan de andere kant van de lijn haar kan zien. Net voor ze inlegt, mompelt ze nog een oké, waarna ze zich tot mij wendt.   “Wacht hier even op me. Ik ben zo terug.” Ze bergt haar telefoon op en keert op haar stappen terug. Ik kijk haar na en zie hoe ze heen en weer wiegt als de slinger van een pendule. Wanneer ze is verdwenen, kijk ik wat onbestemd om me heen. Voor ik besef wat ik doe, heb ik de deur van een kamer opengeduwd en ben binnengegaan. Ik kijk verbaasd om me heen. Het interieur van deze kamer vormt een schril contrast met de kraaknette, haast steriele gang waarin ik me net nog bevond. Hier is alles rommelig en vies. De muren zijn vuil en hier en daar is het stucwerk losgekomen waardoor de blote bakstenen zichtbaar zijn. Het raam, dat uitzicht biedt op de boomkruinen van het park, is aftands. Het bevindt zich in een nis, als in een 18e eeuws klooster, en de verf bladdert lelijk af. @photosuus instagram.com/suusb2b/  Aan de wand links van me hangt, boven een roestige radiator, een groot schilderij dat een persoon voorstelt. Het betreft een abstract kunstwerk, waardoor het niet uit te maken is of het een man of een vrouw uitbeeldt. Het hoofd van de figuur heeft een lichtblauwe pastelkleur. Voor het overige overheersen tinten van bruin en schreeuwerig oranje. Om gek van te worden.   “Mooi, hè?” klinkt het achter me. Ik draai me verschrikt om en zie in een hoek, achter de openstaande deur, Xavier op een stoel zitten. Hij leunt gemoedelijk achterover, met voor zich uitgestoken benen, en kijkt me aan met een geheimzinnige, wat spottende lach.   “Xavier!” roep ik verbaasd uit. “Wat doe jij hier?” Hij schopt de deur met zijn voet dicht. Ze vliegt met een klap in het slot.   “Hoe gaat het me je?” vraagt hij. “Wat vond je van Marianne? Zag ze er niet beeldig uit met haar vetkwabben en druipend van het zweet? ” Hij lacht zijn huig bloot. “Zijn de schellen je eindelijk van de ogen gevallen? Zie je nu dat ze lelijk is als de nacht! En heb je geroken hoe ze stinkt? Uren in de wind! Hoe heb je jezelf ooit kunnen wijsmaken dat je van zo iemand kon houden?”   “Ze is gewoon even zichzelf niet,” tracht ik haar te verdedigen. Er volgt een honende lach, waarna hij me plots weer bloedernstig aankijkt.   “Ze is een vette kwal, Boris,” snuift hij. “Dat is ze altijd geweest en zal ze altijd zijn! Dat weet jij net zo goed als ik.”   “Toen ze jong was, was ze mooi,” voer ik aan.   “Kan. Maar ze is al lang niet jong meer. Ze is een afgeleefde vrouw.” Hij schudt meewarig zijn hoofd. “Je bent zielig, Boris. Een mislukkeling, ben je. Een tragische figuur. Een Pierrot! Een zielige clown.” Ik laat mijn hoofd zakken en staar beteuterd naar de vloer. Zijn woorden snijden als messen. Ik ben nog een duim hoog. Hij staat op, komt op me toegestapt en slaat zijn arm troostend om mijn schouders.   “Maar geen nood,” fluistert hij me toe. “Ik ben gekomen om je te helpen.” Ik kijk verwachtingsvol naar hem op.   “Kijk eens door het raam,” zegt hij. “Er wacht iemand op je.” Ik bekijk hem onbegrijpend.   “Ga dan!” spoort hij me aan. “Kijk dan!” Ik loop aarzelend naar het raam en open het. Een koude winterbries slaat me als een natte vaatdoek in het gezicht. Ik hap naar adem terwijl ik naar buiten leun. Aan de overkant van de straat, aan de rand van het park, staat een schattig meisje met rode haren naar me omhoog te kijken. Hoewel het ijzig koud is, draagt ze geen winterkleren. Ze heeft een zomerjurkje aan. Maar de koude lijkt haar niet te deren.   “Is ze niet oogverblindend?” hoor ik Xavier me in het oor fluisteren. “Zij is toch al jaar en dag je natte droom, niet?” Ik draai me om naar Xavier, maar vind hem niet meer terug. Hij blijkt van de ene seconde op de andere verdwenen te zijn. Alsof hij in een wolk van rook is opgegaan. Op de gang klinken de zware voetstappen van Marianne. Ik leun weer naar buiten. Het meisje staat nog steeds naar me te kijken. Ik meen een droeve blik in haar ogen waar te nemen. Ze steekt een uitnodigende hand naar me uit. De voetstappen van Marianne komen steeds dichterbij. Het meisje steekt nu beide armen naar me uit, alsof ze wil dat ik spring. Ik verkeer in twijfel. Maar dan word ik achter me plots de aanwezigheid gewaar van mensen. Ik kijk om en stel tot mijn verbazing vast dat ik omringd word door mijn broers en zussen. Het eerste wat ik voel is blijdschap. Maar dat slaat gauw over in onrust. Geen van hen blijkt me te herkennen. Ze kijken me ook niet aan. Hun gezichten staan uitdrukkingsloos, alsof ze een spierverlamming hebben. Ze staan in een kleine kring om me heen en beginnen zich langzaam naar voren te bewegen. Met schuifelende voeten. De kring wordt steeds nauwer en ik word tegen de vensterbank gedrukt. Stilaan begin ik voorover te hellen. Mijn hoofd steekt al gauw een eind uit het raam. Net voor mijn voeten van de vloer worden gelicht, hoor ik de deur achter me opengaan. Ik werp een blik over mijn schouder en zie Marianne in het deurgat staan met een gezicht vol afgrijzen.   “Bob! Niet doen!” krijst ze uit volle borst. Ze komt naar me toegelopen, maar het is te laat. Ik duikel door het raam en stort onhoudbaar naar beneden. Met een doffe smak plof ik op de stoep. Er gaat een snijdende pijn door me heen, waarna alles donker wordt en stil. Vorige delen: Tot ziens, Marianne (deel 1) https://yoo.rs/r/19942 Tot ziens, Marianne (deel 2) https://yoo.rs/r/20235 Tot ziens, Marianne (deel 3) https://yoo.rs/r/20543 Tot ziens, Marianne (deel 4) https://yoo.rs/r/20799 Tot ziens, Marianne (deel 5) https://yoo.rs/r/20972 Tot ziens, Marianne (deel 6) https://yoo.rs/r/21293 Tot ziens, Marianne (deel 7) https://yoo.rs/r/21538 Tot ziens, Marianne (deel 8) https://yoo.rs/r/22028 Tot ziens, Marianne (deel 9) https://yoo.rs/r/22211 Tot ziens, Marianne (deel 10) https://yoo.rs/r/22465 Tot ziens, Marianne (deel 11) https://yoo.rs/r/22721 Tot ziens, Marianne (deel 12) https://yoo.rs/r/23021 Tot ziens, Marianne (deel 13) https://yoo.rs/r/23587 Tot ziens, Marianne (deel 14) http://yoo.rs/r/24458 Tot ziens, Marianne (deel 15) http://yoo.rs/r/26402 Tot ziens, Marianne (deel 16) http://yoo.rs/r/29396 Tot ziens, Marianne (deel 17) http://yoo.rs/r/31760 Tot ziens, Marianne (deel 18) http://yoo.rs/r/32405 Tot ziens, Marianne (deel 19) http://yoo.rs/r/33026 Tot ziens, Marianne (deel 20) http://yoo.rs/r/34193

#Roman
10Oct2016
Tot ziens, Marianne (deel 20)
Lou Geluyckens

De man die me wakker schudt, lijkt op het kerstmannetje. Scheef op zijn kop staat een rode muts en hij heeft een knalrode neus. Aan zijn snor hangen kleine stalactieten en zijn wenkbrauwen en baard zijn wit van de aangevroren dauw.   “Kom, jongen, maak dat je wegkomt,” zegt hij. Ik richt me op en wrijf mijn ogen uit. Met een verdwaasde blik kijk ik om me heen. Het duurt even voor ik me realiseer waar ik me bevind.   “Kom! Wegwezen!” dringt hij aan. Hij port me aan met de tip van zijn groene rubberen laars. Ik krabbel overeind. Moeizaam, want mijn hele lijf doet pijn. Ik ben totaal verkleumd en ril alsof ik hoge koorts heb. De man geeft me een duw in mijn rug om gauw van me af te zijn. Buiten de beschutting van het winkelportaal waait een ijzige wind. Ik sla mijn armen om me heen in een poging mijn lichaamswarmte te behouden. Tevergeefs. Ik beef alsof ik de ziekte van Parkinson heb.   Terwijl ik me een weg baan door de dikke sneeuwlaag schiet me een voorval te binnen van toen ik een jaar of tien was. Toen ik het net zo koud had als nu. Het had toen ook hevig gesneeuwd. Ik was naar school gegaan in korte broek, omdat moeder van oordeel was dat een kind geen pantalon hoorde te dragen. Lange broeken waren voor grote mensen, zei ze. Of het nu vijftig graden boven nul was of twintig eronder… een korte broek was wat ik aan kreeg. Het enige verschil was dat ik ’s zomers korte sokken droeg en ’s winters dikke wollen kousen tot net onder de knie. En dat ik ’s zomers een blazer droeg en ’s winters een gevoerde anorak. Ik weet nog hoe ik na school naar huis liep en op het plein achter de kerk een zestal jongens een sneeuwgevecht zag houden. Het waren kerels uit onze school, een paar jaar ouder dan ik. Pubers met een pesterig kantje. Toen ik langs hen heen liep, mikte één van hen een stevig samengeperste sneeuwbal tegen mijn kop. Het kwam aan als een kei. In een impuls grabbelde ik ook een handvol sneeuw bij elkaar, vormde een bal en keilde deze in hun richting. Ik raakte één van hen recht in zijn gezicht. Een seconde later lag ik spartelend in de sneeuw, bedolven onder een groep slaande, schoppende en krijsende jongens. Ik trachtte mijn hoofd te beschermen met mijn armen, maar de slagen kwamen van overal. Ze bleven op me inbeuken tot ik het bewustzijn verloor.   Pas toen ik overeind werd geholpen, kwam ik weer bij. Het was de aardige mijnheer De Greef die me onder de arm nam. Mijnheer De Greef was de buur met de hogere functie in het bedrijf waar ook vader werkte. Als zijn naam thuis werd uitgesproken, was het altijd met een zweem van afgunst. Of om er kwaad over te spreken. Dat hij zijn hoge functie had afgekocht. Of dat hij goed was in hielen likken. Het was doorgaans moeder die deze woorden sprak. Ze braakte ze uit, alsof ze giftig waren. Maar ik vond mijnheer De Greef een vriendelijke man. Ik mocht van geluk spreken dat hij het was die me aantrof.   “Boris, jongen toch, wat is er met je gebeurd?” vroeg hij bezorgd, terwijl hij met zijn eigen zakdoek het gestolde bloed van onder mijn neus wreef. Waar mijn hoofd had gelegen, had de sneeuw een vage rode kleur. En mijn anorak vertoonde vooraan een grote scheur. Wat zou moeder zeggen? Ik vertelde mijnheer De Greef wat er was gebeurd toen ik na school naar huis liep. Hij keek op zijn polshorloge en trok een bedenkelijk gezicht.   “Vreemd dat je vader je niet heeft gevonden,” zei hij. “Hij moet hier een kwartier geleden zijn voorbij gegaan.” Zijn woorden drongen nauwelijks tot me door. Ik beefde zo hard dat ik mijn knoken hoorde rammelen.   Mijnheer De Greef droeg me naar huis, omdat mijn stijf bevroren ledematen me niet meer konden dragen. Als een lappenpop lag ik in zijn armen, met wiegende onderbenen.   Moeder was in alle staten. Niet alleen omdat ik meer dan anderhalf uur later thuis kwam dan normaal, maar ook omdat mijn anorak was gescheurd. En misschien nog het meest omdat het mijnheer De Greef was die me naar huis bracht. Ze liet de aardige man niét binnen. Hij vertelde haar, staande aan de deur, dat hij me had gevonden op het plein, achter de kerk, en maakte haar er fijntjes opmerkzaam op dat hij het vreemd vond dat vader me niet had zien liggen.   Nadat ze zich van mijnheer De Greef had ontdaan, verzorgde moeder mijn wonden: mijn kapotte knieën, geschaafde kin, voorhoofd en linkerslaap. Daarna legde ze me in bed. Twee uur later lag ik nog te rillen van de kou. Ondertussen hadden mijn ouders ruzie. Ik hoorde moeder schreeuwen tot boven. Ik verstond niet helemaal wat ze zei, maar ze had het voortdurend over mijnheer De Greef.   Vijf dagen lag ik ziek te bed. Hoge koorts. Moeder deed haar best om me er gauw weer bovenop te helpen. Ze bracht me thee en koekjes, die ik telkens na een kwartier weer uitkotste. Maar vader kwam al die tijd niet één keer op mijn kamer. Toen ik hem vijf dagen later zag, op de overloop, keek hij even stiekem om zich heen en gaf me een gemene klap tegen mijn achterhoofd. Zomaar. Ik deed niets. Van het schrikken plaste ik in mijn pyjamabroek, wat me op een tweede klap kwam te staan. Vaders klappen kwamen altijd hard aan. De meest gemene mep die ik ooit heb gekregen was tijdens een kerkdienst, gedurende de consecratie. Net nadat de priester de woorden had gesproken: “Want dit is mijn lichaam” Vader had me al vier keer gewaarschuwd dat ik niet achterom mocht kijken. Maar Elsje zat enkele rijen achter ons. Ze had een jurkje aan dat tot net boven haar knieën reikte en ik trachtte onder de stoelen door tussen haar benen te gluren. De klap die ik kreeg, net toen de priester de hostie hoog in de lucht hield, galmde door de kerk als een zweepslag. Mijn hoofd vloog enkele centimeter vooruit en ik slaakte een luide gil. De priester liet van het schrikken zijn hostie bijna uit zijn handen glippen en wierp ons een vernietigende blik toe.   Ik ban de herinnering uit mijn gedachten en sleep me voort. Doordat ik al enkele dagen geen maaltijd meer heb gehad, voel ik me duizelig. Alsof ik een drug heb genomen en ik in hogere sferen verkeer. Het lijkt alsof ik geen deel meer uitmaak van deze wereld. Dat alles buiten mij om gebeurt. Dát doet echte honger dus met een mens.   Mijn voeten malen hectometers, maar het is alsof ze dat uit zichzelf doen. Dat ik er geen controle over uitoefen. Stap na stap slepen ze me door het pak sneeuw. Af en toe glijden ze weg en houd ik me recht door hevig met mijn armen te zwaaien. Eén keer lukt het me niet om overeind te blijven. Mijn steunvoet schuift onhoudbaar voor me uit en doet me plat op mijn rug belanden. De val in het dikke pak sneeuw is niet pijnlijk, maar uit pure vermoeidheid blijf ik liggen.     “Gaat het, jongen?” hoor ik iemand vragen. Het is een dame met een bontjas die zich over me buigt. Ze kijkt me bezorgd aan van onder een gigantische Russische berenmuts. Haar knalrode lippen steken erg af tegen het witte landschap. Ze helpt me recht en biedt me aan om even op adem te komen in het gebouw waar ze werkt.   In de bloedheet gestookte ruimte is het alsof ik ontdooi. Mijn vingers lijken oververhitte koolstaafjes die elk moment vuur kunnen vatten. De pijn is haast niet te harden. Wanneer ik ontdek dat in het gebouw, waar ik ben binnen geloodst, de stadsdiensten zijn gevestigd, vraag ik of ik een inlichting kan bekomen bij het kadaster. De dame is welwillend en zorgt ervoor dat ik als eerste aan de beurt kom.   De man achter het bureau hijst zich met een verveelde zucht overeind en loopt naar de wandkast achter hem. Ik bekijk hem van onder tot boven. Hij draagt een keurig pak, maar om zijn voeten zitten bruine suède laarzen, die lelijke vochtkringen vertonen. Sneeuw heeft de gewoonte mensen te doen afzien van vestimentaire etiquette. Na enig zoeken diept hij een ordnermap op, welke hij, staande bij de wandkast, openslaat. Hij bladert met zijn wijsvinger, die hij om de haverklap bevochtigt aan zijn onderlip, doorheen de documenten tot hij heeft gevonden wat hij zocht. Dan pas komt hij terug naar het bureau, knipt de ijzeren beugels van de ordner open en schuift me een document toe.   “Hier,” zegt hij. Hij wijst met een kromme, nicotinebruine vinger op een paragraaf. Ik buig me voorover en lees. Er wordt melding gemaakt van een kavel die sinds 1968 aan ene Hendricus Janssen zou toebehoren. Merkwaardig genoeg bevindt deze kavel zich op hetzelfde adres als ons huis.   “Is de heer Janssen uw vader?” vraagt hij.   “Nee. Mijn vader heet Edouard Wolfs,” zeg ik.   “Voilà! Dan moet u zich vergissen,” besluit hij. “Het perceel waarvan u spreekt is eigendom van de heer Janssen. En zoals u hier kunt lezen, heeft die het tot op heden nooit bebouwd.”   “Maar dat kan niet!” roep ik uit. “Mijn vader heeft dit perceel gekocht in de jaren zeventig en heeft er nog datzelfde jaar een huis op laten bouwen!” De man schudt vastberaden het hoofd.   “Kan niet,” zegt hij. “Het pand waarover u spreekt, heeft nooit bestaan.”   “Maar ik heb mijn hele leven in dat huis gewoond!” schreeuw ik. “Een paar weken geleden stond het er nog.”   “Wel, als dat zo is, dan stond de woning er illegaal en lijkt het me niet meer dan normaal dat ze is afgebroken,” antwoordt hij kordaat. Hij bergt het document weer op in de ordner en klapt ze dicht.   “Ja, maar…” doe ik verward.   “Mag ik u nu verzoeken om plaats te maken!” zegt hij. “Er wachten nog mensen.”   “Maar… ú moet zich vergissen!” roep ik huilerig. “Ik zeg u toch dat ik…”   “PLAATSMAKEN!” blaft hij me toe. Ik voel me bleek wegtrekken en mijn ademhaling wordt zwaar, alsof ik van de zuurstof word afgesloten. Ik sta op van mijn stoel en werp een blik achter me. Er zitten vijf mensen te wachten om geholpen te worden. Twee vrouwen en drie mannen. Er bekruipt me een beklemmend gevoel wanneer ik hen herken. Het zijn exact dezelfde mensen die me gisteren in de wachtzaal van het station zaten te bespieden. Er kan geen twijfel meer over bestaan dat ik word geschaduwd! Er klinkt een heldere toon. Op een monitor in de hoek van de kamer verschijnt een nieuw volgnummer. De man met de hagedisogen, die me in het station de hele tijd zat aan te staren, staat op en komt mijn richting uit. Ik deins achteruit. Terwijl hij me voorbijloopt, werpt hij me een geringschattende blik toe en doet “kssst”, alsof hij een kat verjaagt.   Ik hol door de lange gang en houd halt bij de balie, waar de aardige dame werkt die me heeft binnengelaten. Ik kijk achter me om zeker te zijn dat ik niet word gevolgd, druk me tegen de balie aan en zeg met gedempte stem: “Mevrouw, u moet me helpen!” De dame kijkt op van haar computerscherm.   “Wat kan ik voor u doen?” vraagt ze. Ik kijk nogmaals achterom om te verifiëren of niemand me is gevolgd en zeg: “Ik kan nergens mijn familie vinden. Mijn ouders, mijn broers, mijn zussen… allemaal zijn ze verdwenen!”   “Oei! Dat is erg,” reageert ze bezorgd. “Maar wat wilt u dat ik daaraan doe? Zou het niet nuttiger zijn indien u zich tot de politie zou wenden?”   “Dat heb ik al gedaan,” fluister ik, “maar ze wilden me niet geloven. Ze dreigden er zelfs mee me in de bak te gooien.” Ze kijkt me aan met een bedenkelijke blik.   “Waarom zouden ze dat willen doen?” vraagt ze.   “Weet ik niet. Ik wilde gewoon aangifte doen van de verdwijning van mijn familie. En van ons huis, want dat is óók verdwenen.”   “Uw huis?! O, daarom wilde u het kadaster raadplegen.”   “Precies. Maar de beambte was ook al geen hulp. Hij beweert dat ons huis er nooit heeft gestaan. Maar dat is een leugen! Ik heb er 21 jaar gewoond! Weet u…” Ik buig me naar haar toe en fluister: “Volgens mij ben ik het slachtoffer van een complot.” De dame zet een stap achteruit, alsof ik haar heb meegedeeld dat ik een besmettelijke ziekte heb. Er verandert iets in haar blik. Er sluipt een zekere argwaan in.   “Sorry,” zegt ze, “maar ik vrees dat ik niets voor u kan doen.”   “Jawel! U moét me helpen!” doe ik huilerig. “Ik weet niet meer wie ik moet contacteren! En ik heb het koud! En ik heb honger! ” Ik plooi mijn bovenlichaam over de balie en neem haar bij haar polsen. Ze slaakt een kreet alsof ze wordt verkracht.   “Laat me los!” schreeuwt ze. “Laat me los!” Op dat moment zwaait de buitendeur open en komt een man binnen. Hij stampt de sneeuw van zijn laarzen en komt recht op me toegestapt. Ik laat de polsen van de vrouw los en maak me onmiddellijk uit de voeten.   De wind huilt een naargeestig lied en ik voel me angstig. Terwijl ik doelloos langs de straten loop, doemen steeds meer beelden uit het verleden in me op. Ik zie me aan de rok van moeder hangen. Letterlijk. Tot mijn twaalfde klampte ik me aan haar vast als een aapje. Zolang ik een schoolkind was, beschouwde ik mijn moeder als de ideale mama. Het was pas toen ik in mijn puberteit kwam dat ik de dingen in vraag begon te stellen. Door andere kinderen over hun ouders te horen praten, leerde ik dat er naast zorg ook zoiets bestond als affectie. Ik zag hoe andere ouders met hun kinderen omgingen. Warmer. Hechter. Ik zag hoe jongens van mijn leeftijd liefdevol over hun bol werden geaaid. Ik hoorde hoe hen vragen werden gesteld over wat ze hadden geleerd op school. Over wat ze hadden gedaan. Ik vroeg me af waarom vader nooit aan mij vroeg hoe het op school was geweest. En waarom moeder me nooit eens liefdevol over het hoofd streelde. Als ze met haar hand door mijn haar ging, was het om mijn pony van mijn voorhoofd te vegen waardoor die afzichtelijk ader zichtbaar werd. Het leek meer op pesten dan op een teder gebaar. Zodra dat besef begon te dagen, ging ik me losmaken van mijn ouders. Ik begon te zinnen op een eigen leven. Maar ik kon niet zomaar weggaan. Tot dat idee begon te rijpen van Sydney. Dat gebeurde nadat ik op een site was gestoten die “Gap Year na het middelbaar” heette, en als ondertitel droeg: “Wil jij graag de wereld ontdekken na het middelbaar?” Mijn interesse was meteen gewekt. Een reis naar het andere eind van de wereld leek me een uitgelezen mogelijkheid om de navelstreng met mijn ouders door te knippen. Wist ik veel dat het zo zou lopen…   ©photosuus instagram.com/suusb2b/ Ik sla het park in en waad door de massieve sneeuwlaag als een frontsoldaat door een modderige loopgraaf. Hoewel ik stilaan aan het eind van mijn krachten ben, word ik getroffen door de betoverende schoonheid van het plantsoen. Op de takken van de bomen ligt zoveel sneeuw dat ze doorbuigen. Het is een sprookjesachtig beeld, dat me zelfs in mijn dofste ellende even oog doet hebben voor het fraais dat de aarde biedt. Ik maak me de bedenking dat deze wereld een aards paradijs zou kunnen zijn. Als dieren en mensen elkaar niet naar het leven zouden staan. De ene uit overlevingsdrang, de andere voor zijn plezier. En als het leven niet op ons woog als sneeuw op de takken van de bomen. Ik vraag me af of we het leven moeten beschouwen als een cadeau of als een geseling? Onze hersenen zorgen ervoor dat we nadenken over dingen waarover we beter niet zouden nadenken. Een dier leeft zijn leven. Sterft het morgen, het zij zo. Ze hebben wel een overlevingsinstinct. Maar aan hun dood gaat geen gepieker vooraf. Geen in vraag stellen. Geen deprimerende gedachten. Een dier is per definitie fatalistisch, zij het uit onwetendheid. Zou het niet beter zijn indien de mens zich ook wat makkelijker zou schikken in zijn lot? Ik houd halt. Misschien moet ik beginnen bij mezelf. Ik voel mijn krachten afnemen en kom door de decimeter dikke sneeuwlaag haast niet meer vooruit. Zou dit een indicatie zijn dat mijn leven hier en nu moet ophouden? Als ik me nu eens gewoon voorover liet vallen? Met mijn gezicht in de sneeuw. Zorgen dat ik geen adem meer krijg en langzaam stik… Ik ontspan mijn spieren en begin voorover te hellen. Eerst tergend langzaam, tot de zwaartekracht vat op me krijgt en ik met kracht in het dikke pak sneeuw plof. Het voelt koud aan, maar op één of andere manier ook behaaglijk, alsof ik in een comfortabele gewatteerde doodskist word gelegd. Stilaan wordt het ademen moeilijker. Het is wachten tot ik het bewustzijn zal verliezen…   “Tsjilp!” Een fijn vogelgeluidje trekt mijn aandacht.   “Tsjilp, tsjilp.” De herinnering aan het vogeltje uit mijn droom doet mijn bewustzijn weer toenemen. Met mijn laatste kracht duw ik me op en kijk omhoog. Boven me zie ik op een doorhangende tak het roodborstje zitten. Het lijkt mijn aandacht te willen trekken. Misschien wil het me er op wijzen dat mijn tijd nog niet is gekomen. Dat mijn taak nog niet is volbracht. Ik zuig een teug zuurstof diep in mijn longen en voel mijn kracht toenemen. Ik krabbel overeind en kijk waar het vogeltje zich bevindt. Het is opgevlogen en zit nu op een tak van een boom iets verderop. Het roept me met een onophoudelijk getsjilp. Ik ga achter het diertje aan en baan me strompelend een weg door de sneeuw. Telkens ik het vogeltje nader, vliegt het op en blijft in een volgende boom op me zitten wachten.   Wanneer we de rand van het park naderen, doemt door de kale takken van de heesters de gevel op van het huis waar Bea verblijft. Wit als een Indische tempel. Imponerend als een zestiende-eeuws kasteel. Ik blijf aan de overkant van de straat staan en werp een blik op het raam op de eerste verdieping. De ruit is niet beslagen en is er geen spoor van mijn broers of zussen. Het roodborstje zit nu op de motorkap van een auto die geparkeerd staat voor de deur van het gebouw. Het tsjilpt voortdurend en wipt nerveus heen en weer. Ik steek de straat over. Net wanneer ik tussen de geparkeerde auto’s door wil lopen, zwaait de zware eikenhouten deur van het witte huis open. Ik schrik en duik weg achter een auto. Glurend over de motorkap, zie ik een man de drempel afkomen. Hij trekt zijn kraag hoog op en loopt gehaast verder. Zijn voeten schuiven voortdurend heen en weer op de platgelopen sneeuw, maar hij slaagt er in overeind te blijven. De deur van het gebouw zwaait intussen langzaam dicht, vertraagd door een pomp die de bewoners moet behoeden voor een luide bons. Ik veer op uit mijn schuilplaats en slaag erin mijn voet net op tijd tussen de kier te wurmen. Even later sta ik geïmponeerd rond te kijken in de imposante inkomhal waar de geringste kik een oorverdovend geluid lijkt. Ik sluip op mijn tenen verder.   Tientallen deuren geven uit op een schier eindeloze gang. Zonder uitzondering zijn ze dicht. Achter sommige deuren hoor ik een eenzame stem opklinken. Soms zacht, soms luid en onbeheerst. Achter andere deuren is het angstwekkend stil, als in een mortuarium. Helemaal achteraan in de gang staat een deur op een kier. Ik sluip naderbij en duw ze net zo ver open dat ik mijn hoofd erdoor kan wurmen. Het is de keuken. Er is geen levende ziel te bespeuren, maar op het aanrecht ligt een pak beschuiten. Mijn honger is zo groot dat ik mijn angst even vergeet. Ik duw de deur verder open en scheur de verpakking van de beschuiten. In de koelkast zoek ik naar beleg. Het enige bruikbare wat ik er aantref is een grote pot mayonaise. Beschuit met mayonaise. Het lijkt vies, maar honger is de beste saus. Ik eet alsof ik me tegoed doe aan het lekkerste gerecht in een sterrenrestaurant.   Wanneer mijn ergste honger is gestild, steekt de angst weer op. Ik loop naar de deur en werp een blik in de gang. Er is nog steeds geen mens te bekennen. Ik verlaat de keuken en beklim de trap die me naar de eerste etage brengt, waar de kamer van Bea zich bevindt. Ook hier zijn alle deuren hermetisch gesloten, op één na. Ik sluip behoedzaam naderbij. Er stijgt een gedempt getokkel op uit het vertrek waarvan de deur wijd open staat. Ik plak me met mijn rug tegen de wand, vlak naast de deur, en gluur stiekem naar binnen. Bij het zien van de persoon, die aan een bureau zit te werken, lijkt mijn hart stil te vallen. Ik trek als de bliksem mijn hoofd terug en blijf als aan de grond genageld voor me uit staan kijken. Heb ik gezien wat ik heb gezien of was het een zinsbegoocheling? Pas een lange minuut later durf ik nog een blik in de kamer te werpen. Ik trek grote ogen als blijkt dat mijn zintuigen me niet hebben bedrogen. Achter een omvangrijk bureau zit een mij overbekende man een tekst te typen. Hoewel hij zijn haren voor één keer keurig heeft gekamd en hij zijn weelderige borstharen verborgen houdt achter een netjes gestreken hemd met stropdas, is er geen twijfel mogelijk. Het is Jan Byttebier! De enige echte! Ik slaak een kreet van verrukking, wat hem de ogen doet opslaan.   “Hey!” zegt hij wanneer hij me ziet staan.   “Hey!” doe ik ook, met aarzelend opgestoken hand.   “Is er iets? Kan ik je ergens mee helpen?” De tranen springen me in de ogen. Die vriendelijkheid waarmee hij me aanspreekt. Een gevoel van extreme gelukzaligheid overvalt me. Ik bekijk hem alsof hij een verschijning is.   “Is alles goed met je?” vraagt hij. Hij bekijkt me van onder tot boven. Bezorgd, lijkt het wel.   “Waarom draag je zoveel kleren boven elkaar?” wil hij weten. “En wat is dat witte goedje op je gezicht?” Ik tast aan mijn wangen en bemerk dat ze vol hangen met mayonaise.   “Gaat het weer niet goed met je?” vraagt hij. Ik schud het hoofd.   “Kom, zet je even,” zegt hij. “Vertel me eens wat er aan de hand is.” Ik stap op hem toe en neem plaats aan het bureau.   “Alles is weg,” zeg ik.   “Wat bedoel je met alles?”   “Alles en iedereen. Vader, moeder, mijn broers, mijn zussen, ons huis… Alles is weg.” Hij kijkt me monsterend aan.   “Ogenblikje,” zegt hij. “Ik werk dit even af, en kijk dan wat ik voor je kan doen.” Hij zet zich weer aan het typen. Ik bekijk hem aandachtig. Ik ben blij dat ik hem eindelijk heb gevonden. Alleen begrijp ik niet waarom hij plots zo toegankelijk is, nadat hij me weken uit de weg is gegaan. En waarom hij zo keurig gekleed gaat. Niet langer die Crocodile Dundee-achtige outfit, maar een keurig maatpak waarvan het vest over de leuning van zijn stoel hangt.   “Kennen Marianne en jij elkaar nu wel of niet?” vraag ik. Hij kijkt op van zijn scherm. Er tekent zich een frons af op zijn voorhoofd.   “Welke Marianne bedoel je?”   “De Marianne bij wie ik inwoonde in Sydney.”   “De Marianne bij wie je inwoonde in Sydney,” herhaalt hij. Hij schuift zijn klavier van zich af. “Daar moet je me even het fijne over vertellen. Wie is die Marianne precies? En waarom dacht je dat wij elkaar kenden?”   “Ik zag haar op een foto staan met een man die als twee druppels water op jou leek. Ik was er van overtuigd dat jij het was, maar zij beweerde dat het ene Davy Matthews betrof. Twee weken later zag ik jullie samen. Maar zij bleef halsstarrig beweren dat ik het me had ingebeeld. We hebben toen vreselijke ruzie gehad. Ik ben weggelopen en heb in een park geslapen. De dag erna ben ik teruggegaan om mijn spullen op te halen. Ze lag op het bed en zag er vreselijk uit. Ze zei dat ik bij haar moest blijven, maar dat wilde ik niet. Eergisteren heb ik dan het vliegtuig naar België genomen, maar tijdens de vlucht kreeg ik wroeging. Gisteren heb ik haar meerdere malen trachten te bereiken, maar het lukt me niet. Ik vrees dat ze zichzelf iets heeft aangedaan.” Hij kijkt me doordringend aan.   “Jan… kun jij me helpen?” vraag ik. “WIL jij me helpen? Alsjeblieft?” De tranen lopen me over de wangen. Hij lijkt even na te denken, neemt dan de hoorn van de haak en toetst een nummer in. Lees meer Tot ziens, Marianne (deel 1) Tot ziens, Marianne (deel 2) Tot ziens, Marianne (deel 3) Tot ziens, Marianne (deel 4) Tot ziens, Marianne (deel 5) Tot ziens, Marianne (deel 6) Tot ziens, Marianne (deel 7) Tot ziens, Marianne (deel 8) Tot ziens, Marianne (deel 9) Tot ziens, Marianne (deel 10) Tot ziens, Marianne (deel 11) Tot ziens, Marianne (deel 12) Tot ziens, Marianne (deel 13) Tot ziens, Marianne (deel 14) Tot ziens, Marianne (deel 15) Tot ziens, Marianne (deel 16) Tot ziens, Marianne (deel 17) Tot ziens, Marianne (deel 18) Tot ziens, Marianne (deel 19)

#Roman
26Sep2016
Tot ziens, Marianne (deel 19)
Lou Geluyckens

De agent achter het loket kijkt me onbegrijpend aan vanonder zijn harige wenkbrauwen. Warrige borstels lijken het. Horizontaal over zijn voorhoofd loopt een rode afdruk van zijn pet. Het lijkt een naad. Alsof het dak van zijn schedel is getild en er weer opgezet. Zijn schaarse haren zijn nat van het zweet en zijn doorschemerende schedel blinkt als een spiegel.   “Hoe zegt u?” vraagt hij met een halfdicht geknepen linkeroog. Ik haal diep adem en doe mijn uitleg een tweede keer: dat een man me de toegang heeft ontzegd tot het tehuis waar mijn zus verblijft. Dat ik haar dringend moet spreken omdat ons ouderlijk huis is verdwenen en ik nergens mijn ouders kan vinden, net zo min als mijn oudste broer. Dat mijn andere broer een eind hier vandaan woont, net als mijn jongste zus, en dat ik hun telefoonnummers niet ken en… en… en… Het klinkt allemaal gejaagd en uitermate verward. Dat hoor ik zelf. De agent blijft me onbeweeglijk staan aankijken, rechtop naast zijn bureaustoel, zijn bovenlichaam voorover geheld, zijn brede, behaarde handen steunend op de balie. Door de weerkaatsing van het tl-licht in het veiligheidsglas lijkt hij transparant, alsof hij ieder moment kan oplossen in de atmosfeer.   “Ogenblikje,” zegt hij. Hij loopt naar de deur van het kantoor, ontgrendelt ze en wenkt me. Ik volg zijn instructie en passeer hem met een zeker onbehagen. Ik voel me als een verdachte die een verhoorruimte wordt binnengeleid. Met een handgebaar geeft hij me te kennen dat ik plaats mag nemen op de stoel voor zijn bureau. Zelf begeeft hij zich naar een klein tafeltje achteraan in het lokaal. Hij neemt een zwarte kunstlederen boekentas van de vloer, plaatst deze op de tafel en haalt een turquoise thermosfles tevoorschijn. Hij schroeft de beker van de fles en giet deze vol. Terwijl hij de hete drank langzaam naar binnen slurpt, kijk ik om me heen. Het interieur van het bureau is vreselijk ouderwets. En bepaald armoedig. Alsof de tijd hier heeft stilgestaan. De vergeelde wanden zijn kaal, op een prikbord, een kalender en een klok na. Aan het prikbord is een robotfoto gespeet van een onguur uitziende kerel met stoppelbaard en een wollen muts met omgeslagen rand. Van de uitklapbare kalender zijn drie maanden in één keer af te lezen: de afgelopen maand, de huidige en de toekomstige. De datum van vandaag is omlijst door een knalrood verschuifbaar plastic vierkantje. Van de ronde klok draait de secondewijzer haastig rondjes, terwijl de twee andere wijzers schijnbaar onbewogen het uur aangeven: dertien minuten over zeven. Eén wand van het vertrek wordt bijna helemaal in beslag genomen door een stel ijzeren kasten in donkere kakikleur, waarvan de deuren tekenen van ernstige mishandeling vertonen. Ze zijn geblutst van onder tot boven. Ik werp een blik over mijn schouder. Aan een tweede bureau zit een agent met opgestroopte hemdsmouwen een verslag in te tikken. Zijn hoofd hangt zwaar over zijn klavier gebogen, wat de spieren in zijn nek gespannen doet staan.   De agent die me heeft binnengeloodst, giet zijn laatste slok koffie door zijn keel en smakt als een bejaarde. Hij zwaait enkele keren zijn omgekeerde beker heen en weer om de binnenkant te drogen, waarna hij hem terug op de fles schroeft. Nadat hij alles weer zorgvuldig heeft weggeborgen, komt hij met rustige schreden op me toegestapt. Meteen wanneer hij plaatsneemt aan het bureau, komt zijn koffieadem me meteen tegemoet gewaaid. Ik denk onwillekeurig aan moeder, omdat haar adem permanent naar koffie ruikt. Maar ook de herinnering aan vader flitst door mijn hoofd. Zoals de agent tegenover me zit! Op dezelfde manier zat vader tegenover mij toen hij me mijn reis naar Australië uit het hoofd trachtte te praten.     “Zo. Laat ons nu eens even alles rustig op een rijtje zetten,” zegt de agent zuchtend, terwijl hij op zijn bureau een aantal dingen herschikt die niet op herschikking lagen te wachten. “Laat ons beginnen met de kwestie dat u de toegang tot dat huis werd ontzegd. Welk huis bedoelt u precies?” Hij kijkt me nauwlettend aan, alsof hij de woorden van mijn lippen wil lezen. Ik leg hem uit dat ik de instelling bij het park bedoel, waar patiënten worden opgenomen die niet zelfstandig kunnen wonen. Hij knikt en vraagt wat ik daar te zoeken had.   “Mijn zus,” zeg ik. “Zij is daar gehuisvest.”   “Hm. En waarom werd u de toegang ontzegd?”   “Weet ik veel. Ik mocht gewoon niet binnen. De man die opendeed beweerde dat mijn zus daar helemaal niet woont. Maar dat is gelogen. Ze woont er makkelijk al tien jaar! Ze heeft een autismespectrumstoornis, moet u weten, en was er één van de eerste patiënten. Waarom hij nu beweert dat ze er niet woont, begrijp ik niet. Kunt u er niet voor zorgen dat hij mij binnenlaat?”   “Ik vrees van niet,” zucht hij. “Onze taak is het handhaven van de orde. In eerste instantie op de openbare weg. Als u, om welke godsonmogelijke reden dan ook, de toegang tot dat tehuis wordt ontzegd door een man die daar klaarblijkelijk de verantwoordelijkheid draagt, dan kunnen wij daar als politie niet tegen optreden. Dat is geen zaak voor ons. Los daarvan neem ik overigens aan dat die man een goede reden zal hebben gehad om u niet binnen te laten.”   “Dat had hij niet! Ik wilde gewoon mijn zus zien!”   “En waarom, als ik vragen mag? Waarom trotseerde u zo laat op de dag een sneeuwstorm om uw zus te zien? Wat was er zo dringend?”   “Ik wilde haar vragen of zij misschien weet wat er met ons huis is gebeurd.” Hij kijkt me aan met een bedenkelijke blik.   “Wat er met uw huis is gebeurd? Hoe bedoelt u?”   “Het is verdwenen! En onze ouders ook!” De agent werpt een blik op zijn collega, die gestopt is met typen. Ze bekijken elkaar alsof ik een gek ben die zit te raaskallen.   “Waar bevond zich dit huis?” vraagt de agent.   “In de Kerkstraat.”   “De Kerkstraat…” De andere agent laat zijn armen met opgestroopte hemdsmouwen op zijn schoot vallen. “Dat is mijn wijk,” zegt hij. “Welk huisnummer?”   “Zeventien.” Hij denkt zichtbaar na. “Hoe zag het huis eruit?”   “Een rode bakstenen gevel, groene voordeur en witte ramen met bruine klapluiken. Naast het huis een garage met een blauwe kantelpoort.” De agent steekt zijn onderlip bedenkelijk naar voren en schudt nadenkend het hoofd.   “Vreemd. Ik kan me geen huis in de Kerkstraat voor de geest halen dat aan die beschrijving voldoet. Trouwens… voor zover ik weet, is er in geen járen nog een huis afgebroken in de betreffende straat.”   “Maar dat moet wel!” roep ik uit. “Vijf weken geleden stond het onze er nog, en nu is het weg!” De blikken die de twee agenten elkaar toewerpen, laten er geen twijfel over bestaan dat ze mij niet geloven.   “Enfin, los jij het maar op,” zegt de wijkagent tegen zijn collega die tegenover me zit, “ik heb geen tijd om me hiermee bezig te houden. Ik moet dit verslag nog afkrijgen voor mijn dienst erop zit.” Hij zet zich weer aan het typen. Tegen een razend tempo hamert hij met zijn twee wijsvingers op de toetsen van het klavier, zo snel dat hij voortdurend de backspace dient te gebruiken om fouten te corrigeren. De andere agent richt zich weer tot mij.   “Kijk eens, jongen,” zegt hij, “ik vrees dat wij u niet kunnen helpen. Tenzij u verboden geestverruimende middelen heeft gebruikt. In dat geval kan ik u een slaapplaats aanbieden in de amigo.” Ik kijk hem onbegrijpend aan.   “De bak! Is dat duidelijker?” vraagt hij. De grijnslach die volgt op zijn woorden doet me bleek uitslaan. Mijn adamsappel wipt voelbaar op en neer. De agent staat op en loopt naar de deur. Hij zwaait ze open en maakt me met een handgebaar duidelijk dat hij wil dat ik opkras. Ik sta op van mijn stoel en loop hem met gebogen hoofd voorbij. Wanneer ik een laatste keer omkijk, valt mijn oog op de klok. De secondewijzer draait alsmaar door, maar de andere wijzers geven nog steeds hetzelfde uur aan als een kwartier geleden: dertien over zeven.   De koude snijdt alweer als een slagersmes door me heen. Ik hunker naar een warm bed. En ik heb honger. En dorst. Ik snak naar een warme maaltijd. En een hete drank. Thee, koffie, warme chocomelk, oxo… alles zou me smaken. Helaas bezit ik geen rode duit meer. Ik weet niet waar naartoe. Ik moet ergens beschutting vinden voor de nacht, maar waar? In het park slapen, zoals ik in Sydney deed, is uitgesloten. Doe ik dat, dan kan men me morgen in een lijkzak proppen.   Mijn passen leiden me naar het stationsgebouw, het enige gebouw waarvan ik weet dat het op dit uur nog toegankelijk is. Warm is het niet echt in de wachtzaal, maar alles is beter dan een sneeuwstorm trotseren. Ik zet me neer op een bank. Een harde bank. Bruin gevernist hout met ribbels die pijn doen aan je kont. Niet comfortabel. Mijn doorweekte rugtas zet ik naast me. Ik weet niet waarom ik die tas blijf meedragen. Er zit haast niks meer in. Ik heb zowat alle kledingstukken, die ik mee had, aangetrokken. En toch is ze zwaar, de tas. Dat komt omdat de stof, waaruit ze is vervaardigd, vocht opneemt. Ik zou het onding beter ergens achterlaten.   Ik strek mijn benen voor me uit en huiver. De koude is zo diep in mijn aderen doorgedrongen dat ik me niet meer lijk te kunnen verwarmen. Ik voel me rillerig, alsof ik ziek aan het worden ben. Ook van de honger wellicht. Ik bekijk de mensen die me omringen in de wachtzaal. Stuk voor stuk boezemen ze me wantrouwen in. Om niet te zeggen: angst. Langs mijn linkerkant zitten twee dames naast elkaar op dezelfde bank. Hoewel ik er zeker van ben dat ze bij elkaar horen, wisselen ze geen woord. Dat komt omdat hun aandacht bij mij ligt. Dat voél ik! De dame uiterst links bespiedt me het opvallendst. Hoewel ze voorwendt geen interesse in me te hebben, dwaalt haar blik voortdurend naar me af. Telkens ik naar haar kijk, wendt ze haar ogen af. Dat kan geen toeval zijn. De dame naast haar houdt de schijn iets beter op. Ze heeft haar ogen onophoudelijk op een magazine gericht dat op haar schoot ligt. Enkel begaat ze de fout de bladen te snel om te slaan, waardoor zelfs een blinde kan zien dat ze niet echt leest. Ze doet enkel maar alsof. Ik weet zeker dat ook haar voelsprieten op mij zijn gericht. Schuin tegenover me zit een man al een kwartier naar een punt op de muur achter me te staren. Ik heb even onopvallend omgekeken om na te gaan of er iets te zien is, maar dat is niet het geval. Geen bobbeltje in het stucwerk. Geen platgedrukte mug. Niets. Het kan niet anders of het is zijn manier om achteloosheid voor te wenden, terwijl hij me stiekem in de gaten houdt.   Een tweede man zit voortdurend naar de monitor te staren waarop de treinen worden aangekondigd. Hij lijkt op het eerste gezicht totaal geen aandacht aan me te schenken, maar zijn oorspieren staan strak als kabels. Ook dat wijst op een meer dan normale alertheid.   Maar het meest bedreigend vind ik de kerel die helemaal rechts van me zit. Hij heeft hagedisachtige ogen en zit me de hele tijd schaamteloos aan te staren met een blik die me doet huiveren. Ik weet niet wat dit gezelschap bezielt, maar als zij binnen de tien minuten niet op een trein zijn gestapt, loop ik gillend de wachtzaal uit.   Een halfuur later zijn de vogels gevlogen en zit ik zo goed als alleen in de wachtzaal. Enkel een slanke man met kort opstaand wit haar, beige overjas met pelskraag en een opzichtig gekleurde sjaal loopt nog te ijsberen. Hij heeft langs één kant een oortje in, waardoor ik hem ervan verdenk info over mij door te spelen aan de anderen. Na een tijdje loopt ook hij in de richting van de perrons en kan ik even opgelucht ademhalen. Van de gelegenheid maak ik gebruik om me languit op de bank te leggen. Ik ben doodmoe en wil even mijn ogen sluiten. Mijn doorweekte rugtas gebruik ik als hoofdkussen. Comfortabel is het allemaal niet, maar ik heb geen andere keuze.   Hoeveel later het is, weet ik niet, maar een diepe stem haalt me uit mijn slaap. Ik open mijn ogen en zie een man in uniform over me gebogen staan. Zijn oogleden hangen af alsof hij de droefenis van de hele wereldbevolking met zich meedraagt.   “Kom, jongen, zet u recht,” zegt hij. Hij port me aan met zijn hand. Ik ga overeind zitten en kijk verdwaasd om me heen. Buiten mezelf en de geüniformeerde man is er geen hond meer in het stationsgebouw.   “Heb je je laatste trein gemist?” vraagt hij.   “Hm? Wat? Nee.”   “Wat doe je hier dan nog?” Ik wrijf de slaap uit mijn ogen. “Ik wilde hier overnachten,” zeg ik.   “Dat zal niet gaan,” antwoordt hij. “Het is hier geen hotel. We gaan dadelijk het gebouw afsluiten.”   “Maar… ik kan nergens anders naartoe,” probeer ik. “En het is zo koud buiten.”     “Jammer, maar daar kan ik geen rekening mee houden. Als ik jou hier vandaag laat overnachten, ligt het hier morgenavond vol daklozen. Kan ik niet toelaten. Kom! Pak je spullen.” Hij neemt me bij de arm en helpt me overeind.   “Maar… waar moet ik dan naartoe?” vraag ik.   “Geen idee. Dat is mijn probleem niet. Je kunt je aanmelden in het ziekenhuis. Via dat kanaal krijg je misschien toegang tot een instelling.” Ik ruk mijn arm los en bekijk hem vernietigend. Hij beantwoordt mijn blik met een dreigende oogopslag. Door die afhangende oogleden lijkt hij op een boze hush puppie met ectropion.       “Gaan we moeilijk doen?” vraagt hij. “Kom! Ga nu gewoon mee naar buiten.” Hij wil me weer bij mijn arm pakken, maar ik sla zijn hand van me af.   “Kijk, jongen, het is simpel,” stelt hij. “Of je gaat met mij mee naar buiten, of ik bel de politie. Aan jou de keuze.” Ik blijf nog even uitdagend staan, maar geef uiteindelijk toe. Tegen de wil van een stationschef valt niets in te brengen. Ik gooi mijn doorweekte tas op mijn rug en loop met slepende voeten het stationsgebouw uit.   De koude neemt gestaag toe. Het wordt een ijsnacht zoals we er zelden één hebben meegemaakt, dat is duidelijk. De sneeuwvlokken worden alsmaar dikker en de wind nijdiger. Mijn tenen lijken al na enkele stappen los in mijn zomerschoenen te liggen. En al na een paar minuten ben ik verkleumd tot op mijn ruggengraat.   Een bushokje biedt me enige beschutting. Niet veel, want de zotte wind maakt dat de sneeuw alle kanten uit dwarrelt en ook in het hokje waait. Enkel helemaal in het hoekje is een klein plaatsje vrij van sneeuw. Daar ga ik op de harde koude grond zitten, en trek mijn knieën hoog op, zodat ze me beschutting bieden tegen de snijdende wind. Ik leg mijn voorhoofd op mijn knieën en sluit mijn ogen. Even lijk ik in te dommelen, maar reeds na enkele seconden galmt de laatste kreet van Marianne alweer door mijn hoofd, en tekent het schrikwekkende laatste beeld zich nog maar eens af op mijn netvliezen. Ik open meteen mijn ogen om het beeld te verdrijven. Ik ga zuchtend verzitten en vraag me af of ik niet nog eens moet proberen om Marianne te bereiken. Het horen van haar stem zou een enorme geruststelling betekenen. Ik diep mijn mobieltje op en lees het uur af: 22u23. Als ik het goed heb, is het in Sydney op dit moment… even omrekenen… 8u23 in de morgen. Geen onmenselijk vroeg uur om iemand te bellen, toch? Ik roep mijn contactenlijst op en blijf minutenlang naar haar nummer zitten staren. Alsof ik hoop dat de telefoon mijn gedachten zal registreren en haar in mijn plaats zal opbellen. Dat doet hij niet. Na enkele minuten druk ik op het groene telefoontje en wacht met ingehouden adem. De zoemtoon gaat vier keer over. Dan wordt er opgenomen. Mijn hart springt op. “Marianne?” roep ik hoopvol. Het volgende ogenblik barst een spervuur aan woorden los. Een aaneenrijging van klanken waar ik geen jota van begrijp.   “Marianne, wacht even!” val ik haar in de rede. “Ik versta geen woord van wat je zegt. Praat een beetje trager en duidelijker, wil je?” Er volgt een nieuw salvo. Ik tracht uit de woordenbrij een aantal begrippen te distilleren, maar het lijkt wel alsof een taal wordt gesproken die ik niet ken.   “Marianne, wacht even!” roep ik luid. De woordenbrij stopt. Ik slaak een zucht van verlichting, maar het volgende ogenblik snijdt een luide fluittoon mijn trommelvlies zowat aan flarden. Ik houd het mobieltje een eind van mijn oor en wacht tot het geluid is uitgestorven. Dan leg ik het voorzichtig weer aan mijn oorschelp en vraag: “Marianne? Ben je daar nog?” Opnieuw begint de stem woorden uit te braken. Deze keer trager en minder geagiteerd, maar nog steeds onverstaanbaar. Stilaan daagt het me dat het niet Marianne is die ik aan de lijn heb, maar een wildvreemde. De gedachte dat iemand zich de telefoon van Marianne heeft toegeëigend, doet mijn stoppen doorslaan.   “Who is this? ” roep ik in de microfoon. “Where did you get this phone? Did you steal it? Where is Marianne? I want to speak to here! Now! Give me Marianne!!!” Die laatste woorden schreeuw ik zo luid dat aan de andere kant meteen wordt ingelegd.   “Hallo? Hallo!!!” roep ik. Tevergeefs. In een bui van razernij keil ik mijn mobieltje de straat op. Het toestel ploft midden op de rijweg in de sneeuw en verdwijnt in de dikke laag. Een minuut later komt een zeldzame auto aangereden die nog op de baan is en vermorzelt de telefoon onder zijn wielen.   Ik blijf nog even zitten te kleumen en hijs me dan overeind. In dit bushokje zal ik er nooit in slagen de slaap te vatten. Daarvoor is het te tochtig en lig ik er niet beschut genoeg. Ik ga nog maar eens de straat op. Ik dacht de laatste dag in Sydney dat ik liep als een oude man. Dat was niets vergeleken met hoe ik me nu voortbeweeg. De koude zit in mijn spieren en gewrichten, wat maakt dat ze vastlopen als een ongeoliede machine. Samen met het decimeter dik pak sneeuw is het er de oorzaak van dat ik haast geen voet meer vooruit kom. Als het zo blijft sneeuwen, ligt er morgenvroeg een tapijt waar niet meer door te waden is. Ik voel mijn krachten afnemen en vrees dat ik ieder moment kan vallen, wat een gewisse dood zou betekenen.   Ik strompel met de grootste moeite nog een eindje verder, tot ik bij een winkel kom met een diep portaal dat niet afgesloten is door een rolluik. Dit is mijn kans. Als ik érgens kan schuilen voor de nacht is het hier. Ik loop het portaal in en vlei me op de grond. De vloer is koud en hard als graniet, maar ik lig tenminste droog. En beschut tegen de wind. Ik rol me op als een egel, wurm mijn mond in mijn kraag en adem in mijn kleding om mijn borst te verwarmen. Uitgeput als een loopgraafsoldaat deemster ik weg…   Ik word gewekt door een fijn getsjilp. Ik open mijn ogen en zie een vogeltje naast me zitten. Het kijkt me aan en beweegt zijn hoofdje bliksemsnel over en weer. De borst van het diertje is rood als bloed. Ik richt mijn hoofd op en voel een warme zonnestraal op mijn gezicht vallen. Met enige moeite ga ik overeind zitten. Het vogeltje wipt het portaal uit en blijft op de stoep naar me staan tsjilpen. Nadrukkelijk, alsof het me ergens naartoe wil lokken. Ik krabbel overeind, rek mijn pijnlijke rug en verlaat het portaal. Eens buiten kijk ik om me heen. De wereld is bedekt met een maagdelijk wit tapijt, waartegen de rode borst van het vogeltje fel afsteekt. De stormwind, die gisteravond de takken van de bomen deed zwiepen en slaan, is bedaard. Er heerst nu een vredige rust. De dikke laag sneeuw dempt ieder geluid en maakt dat de wereld er sprookjesachtig uitziet.   “Tsjilp tsjilp tsjilp.” Ik kijk naar het vogeltje. Het heeft zich enkele meters van me verwijderd en huppelt nerveus heen en weer. Zijn fijne pootjes laten een onleesbaar geschrift na in de sneeuw. Ik zet me in beweging en waad met hoog opgeheven voeten door het dikke pak sneeuw. Ik volg het vogeltje, dat steeds verder wipt. Hoewel er ijspegels aan de dakgoten hangen en mijn adem uit mijn mond opstijgt als de rookpluim uit een stoomlocomotief, heb ik het niet koud. De sneeuw, waar ik tot aan mijn enkels inzak, dringt in mijn zomerschoenen, maar toch worden mijn voeten niet nat.   “Tsjilp tsjilp.” Ik kijk omhoog. Het vogeltje, dat me in het park heeft gelokt, is opgevlogen en zit nu boven me op een tak. De poedersneeuw, die het op me neer laat dwarrelen door met zijn pootjes onrustig over en weer te schuifelen, doet me mijn ogen afdekken. Wanneer ik weer opkijk, zit het diertje niet meer op de tak. Ik kijk om me heen, maar vind het nergens meer terug.   Ik wil verder lopen, maar zie mijn weg versperd door een ondoordringbare muur van met sneeuw bedekte heesters: een wirwar van takken die elkaar omstrengelen als versteende slangen. Ik kijk achter en naast me. Overal is de begroeiing even compact. Het lijkt wel alsof ik gevangen zit in een sinister, onherbergzaam woud waaruit geen ontsnappen mogelijk is. Ik tracht de takken uit elkaar te duwen, maar dat lukt me niet. Het is een vlechtwerk van twijgen dat met de blote hand niet is te ontwarren. Ik voel een paniekaanval opkomen. Maar dan klinkt plots een zachte stem die mijn naam roept. Ik kijk op en zie rechts van me de muur van heesters opengaan. Als de Rode Zee voor Mozes. Tussen de struiken ontwaar ik een witte gedaante die me wenkt. Ik loop op haar toe, maar zodra ik haar nader, trekt ze zich terug tussen de struiken, als een nevel die door de gewassen waait. Ik volg haar, maar de takken lijken me vast te grijpen. Links en rechts. Langs beide kanten voel ik de twijgen zich als koude vingers om mijn armen sluiten. Ik sla ze van me af en worstel me door de heesters. Wanneer ik het struikgewas verlaat, zie ik de witte gedaante op een afstand staan, voor de deur van een groot gebouw: het tehuis waar Bea verblijft. Opnieuw wenkt ze me met een handgebaar. Ik loop op haar toe, maar het sneeuwtapijt reikt nu bijna tot aan mijn knieën, waardoor het me al mijn krachten kost om vooruit te komen. Wanneer ik even opkijk naar de ramen op de eerste verdieping van het gebouw, zie ik achter een beslagen ruit de contouren van een schim opdoemen.   “Bea!” roep ik. De schim wrijft met een handbeweging de aanslag van het raam. In het gezicht dat verschijnt, herken ik mijn zus.   “Bea!” roep ik opgelucht. Ik steek mijn handen naar haar uit. Ze opent het raam en kijkt met een nietszeggende blik op me neer. En dan doemen plots mijn andere zus en mijn twee broers achter haar op. Allemaal hebben ze een verstarde blik in hun ogen. Nog even later verschijnt een trieste clown, wiens naargeestige hoofd is omgeven door een bos rood krulhaar. De blik in zijn ogen boezemt me angst in. Terwijl ik moeizaam verder schrijd, wringt de clown zich naar voren en buigt zich naar me toe. Hij lijkt me uit te lachen, terwijl achter hem mijn broers en zussen star en onbewogen op me neer blijven kijken. Willoos, lijkt het wel. De grijns van de clown wordt steeds breder en grimmiger, tot de schmink laagje na laagje van zijn gelaat begint te brokkelen. Het gezicht, dat langzaam wordt ontbloot, meen ik te kennen. Wanneer ik op het voorhoofd een lelijke dikke ader zie verschijnen, gaat er een schok door me heen. Degene die onder de schmink schuilging, was ikzelf! Ik deins geschrokken achteruit. Een afgrijselijke lach, waarvan mijn haren overeind komen te staan, stijgt op uit de monden van mijn broers en zussen, die zich langzaam naar voren beginnen te dringen, als een aaneengesloten geheel. Ik kijk toe hoe mijn evenbeeld tegen het raamkozijn wordt gedrukt, tot het zijn evenwicht verliest en uit het gapende gat dondert. De kreet die het slaakt, gaat door merg en been. De plof, waarmee het in het dikke sneeuwtapijt terecht komt, klinkt dof en kort. Langzaam begint de sneeuw rond het lichaam rood te kleuren. Een uitdijende vlek… Met een ruk schiet ik wakker. foto:  ©photosuus instagram.com/suusb2b/ Reeds verschenen: Tot ziens, Marianne (deel 1) https://yoo.rs/r/19942 Tot ziens, Marianne (deel 2) https://yoo.rs/r/20235 Tot ziens, Marianne (deel 3) https://yoo.rs/r/20543 Tot ziens, Marianne (deel 4) https://yoo.rs/r/20799 Tot ziens, Marianne (deel 5) https://yoo.rs/r/20972 Tot ziens, Marianne (deel 6) https://yoo.rs/r/21293 Tot ziens, Marianne (deel 7) https://yoo.rs/r/21538 Tot ziens, Marianne (deel 8) https://yoo.rs/r/22028 Tot ziens, Marianne (deel 9) https://yoo.rs/r/22211 Tot ziens, Marianne (deel 10) https://yoo.rs/r/22465 Tot ziens, Marianne (deel 11) https://yoo.rs/r/22721 Tot ziens, Marianne (deel 12) https://yoo.rs/r/23021 Tot ziens, Marianne (deel 13) https://yoo.rs/r/23587 Tot ziens, Marianne (deel 14) http://yoo.rs/r/24458 Tot ziens, Marianne (deel 15) http://yoo.rs/r/26402 Tot ziens, Marianne (deel 16) http://yoo.rs/r/29396 Tot ziens, Marianne (deel 17) http://yoo.rs/r/31760 Tot ziens, Marianne (deel 18) http://yoo.rs/r/32405

#Roman
19Sep2016
Tot ziens, Marianne (deel 18)
Lou Geluyckens

De laatste nacht in Sydney heb ik geen oog dicht gedaan. Niet alleen vanwege de talrijke muggen die rond mijn oren zoemden, maar ook - en vooral - door een innerlijke kwelling. Mijn gedachten dwaalden onophoudelijk naar Marianne. Het laatste, weerzinwekkende beeld dat ik van haar bewaar, staat op mijn netvlies gebrand, terwijl haar laatste kreet door mijn hoofd blijft galmen. Het teistert me. Ik vraag me af of ik correct heb gehandeld. Was ik niet te harteloos en onverbiddelijk? Haar verdriet leek zo oprecht. Maar waarom is ze dan zo hardnekkig tegen me blijven liegen? Ik breek er me het hoofd over. Dat deed ik tijdens de vlucht naar huis, en dat doe ik ook nu. Ik slaag er niet in dat duivelse motortje in mijn hoofd af te zetten. Was ze bang om me de waarheid te vertellen? Zo ja, waarom? Omdat ze bang was me te verliezen? Er bestaat een reële kans dat die Davy Matthews op het slechtst denkbare moment ten tonele verscheen. Misschien wilde ze die eikel helemaal niet zien. Misschien was het daarom dat ze die wegwuifgebaren maakte. Om van hem af te zijn voor ik buitenkwam. Omdat ze vreesde dat ik me dingen in het hoofd zou halen. Wat ik ook heb gedaan. Ik kan me wel voor het hoofd slaan. Haar woorden, dat ik vanuit een impuls reageerde; dat ik mezelf de tijd moest geven om alles te laten bezinken; dat ik over enkele dagen de dingen beslist weer in het juiste perspectief zou zien… het zouden wel eens profetische woorden kunnen zijn. Het fenomeen lijkt zich te voltrekken. Ik betreur mijn beslissing om er overhaast vandoor te gaan. Ik had mezelf de tijd moeten geven om rustig na te denken. Als ik haar door mijn onverzettelijkheid tot een wanhoopsdaad heb gedreven, vergeef ik het mezelf nooit! Mijn tocht door het luchthavengebouw lijkt eindeloos. Ik krijg het onbehaaglijke gevoel dat men de hele wereld heeft overdekt. Dan moet ik weer een gang links in, dan weer een roltrap op, daarna eentje naar beneden, gangetje rechts, gangetje links, weer een verdieping hoger… En de hele tijd loopt een stroom zombies met me mee. Allemaal mensen met de blik op oneindig, net als ik op zoek naar de uitgang van dit immense gebouw. Wanneer ik de luchthaven verlaat, is het alsof ik deur naar de Noordpool opentrek. Een ijzige wind blaast door mijn ribben en doet me klappertanden! Het lijkt alsof de zon is uitgedoofd. Minus twee liet de piloot ons via de intercom weten. Minus tweeëndertig lijkt me dichter bij de waarheid! Als ik intussen niet reeds doordrongen was van spijt, dan zou mijn terugkeer in dit tochtgat aan de Noordzee daar wel voor zorgen. In een mum van tijd zijn mijn vingers verworden tot gevoelloze stokjes die willoos aan mijn handen zitten. Huiverend van de kou haal ik mijn rugzak leeg. Een dikke trui behoort niet tot mijn in allerhaast bijeengeraapte garderobe. Maar ik heb een spijkerbroek. En als ik daar bovenop alle T-shirts, polo’s en hemden aantrek die ik mee heb kunnen grissen, kan ik me misschien net voldoende warm houden. Huiverend sta ik op de bus te wachten die maar niet komen wil. In mijn broekzak speelt mijn hand met mijn smartphone. Ik voel een drang om Marianne’s nummer op te roepen. Ik wil weten of ze nog leeft. Ik haal mijn mobieltje tevoorschijn en druk op de aan-knop. Het lukt me nauwelijks om deze eenvoudige handeling uit te voeren. Elke aanraking met een object voelt aan alsof me de duimschroeven worden aangelegd. Ik druk op het groene telefoontje onder haar naam en houd het toestel aan mijn oor. Drie keer gaat een zachte zoemtoon over. Dan houdt het op. “Marianne?” vraag ik. Er volgt geen antwoord. “Marianne? Hoor je me? Ik ben het, Boris!” Met mijn stijf bevroren lippen lukt het me amper om de woorden te vormen. Het lijkt wel alsof ik een spraakgebrek heb. De lijn blijft dood. Ik toets het nummer een tweede keer in en wacht. Rillend van de kou. Maar ook van de spanning. De lijn blijft dood. Een derde poging. Deze keer gaat de zoemtoon weer over. Vier, Vijf keer. Dan klinkt er gekraak! Als van een wikkeltje dat van een snoepje wordt gehaald. “Hallo, Marianne? Hoor je me? Marianne!” Geen reactie. Ik druk het toestel weer uit en denk na. Misschien moet ik maar een sms-je sturen. Ik druk op het gele envelopje en tik de letters in. Het gaat moeizaam, ook al vergt het niet meer dan enkele zachte vingertikjes op het aanraakscherm. Mijn vingers zijn intussen zo gevoelloos geworden dat ze niet langer tot mijn lichaam lijken te behoren. Kun je me bellen? Dringend! Ik druk op verzenden. Haast onmiddellijk boort zich een heldere berichttoon door de ijle winterlucht. Ik kijk om en zie een voluptueuze dame achter me staan. Met haar rug naar me toegekeerd, gehuld in een dikke winterjas. Om haar hoofd heeft ze een beschermende sjaal gebonden. Ze haalt een mobieltje tevoorschijn en werpt een blik op het oplichtende scherm. Mijn hart springt op. “Marianne?” zeg ik. Ik loop op haar toe en neem haar bij de arm. Wanneer ze haar hoofd draait, laat ik haar verschrikt weer los. Twee uitpuilende oogbollen, als pingpongballen, in een gezicht dat zwart is als de nacht, kijken me verbaasd aan. “Wat wil jij, jongeman?” vraagt de dame met een vreemd accent. Ik krijg geen woord over mijn lippen. Ze bekijkt mijn outfit en lijkt medelijden met me te krijgen. “Kan ik jou ergens mee helpen?” vraagt ze. Ik schud het hoofd en loop van haar weg. Ze kijkt me na tot de bus komt aangereden. Ik sla de hoek om, waardoor de wind recht in mijn gezicht komt te staan. Sneeuwvlokjes, klein als muggen, vliegen me om de oren en dringen in mijn neusholtes. Ik vorm mijn ogen tot spleetjes en tuur voor me uit. De straat waar ik ben opgegroeid, lijkt nauwer dan voorheen. Het is alsof de huizen naar elkaar zijn toegeschoven, als in een continental drift. Ik hou mijn passen in en kijk om me heen. Er is heel wat veranderd in de straat, in vergelijking met hoe ze vroeger was, toen ik nog een kind was. De tengere boompjes, die de stoepen afboorden, zijn flink opgeschoten. De stammen zijn nu vuistdik. Maar de kruin blijft karig omdat de takken elke herfst worden teruggesnoeid tot een knot. Twee van de boompjes ontbreken al jaren. Het ene is kort na de aanplant doodgegaan en nooit vervangen. De stam heeft er nog jaren staan zieltogen, tot hij op zekere dag is afgebroken. Vermolmd tot in de kern. Het andere boompje is op een keer omvergereden door een man met een gehuurde bestelwagen. Een stukje stam, niet hoger dan dertig centimeter, is alles wat nog aan het ongeval herinnert. Ik bekijk het eerste huis op de hoek. Hier bevond zich destijds de bakker, waar vader op zondag de knapperige broodjes haalde. De heerlijke baklucht deed vaak de hele straat het water uit de mond lopen. Na de dood van de bakker is het huis omgebouwd tot een bel-etagewoning met garage. In de aangrenzende woning is nog steeds de krantenwinkel gevestigd, waar ik als prille tiener geregeld voor het uitstalraam ging staan. In een rek langs de linkerwand stonden magazines met interessante covers uitgestald. Vrouwen pronkten er op met hun ontblote boezem en onthaarde kutjes. Prachtig studiemateriaal voor een puber die nog nooit een naakte vrouw had gezien. Mijn preutse moeder zou nog liever dood ter aarde zijn gestort dan dat één van ons een glimp van haar lichaam zou hebben opgevangen. Ook mijn zussen waakten erover dat ik geen vierkante millimeter van hun naakte lichamen te zien kreeg. Tot ik die magazines in de krantenwinkel ontdekte, had ik geen vermoeden hoe een vrouwenlichaam er uitzag. De covers waren een openbaring. Enkel de binnenkant van dat spleetje onderaan bleef een groot geheim… tot Marianne me inwijdde in de liefde. Ik ben haar heel wat verschuldigd. Ik diep mijn mobieltje op en werp een blik op het display. Geen antwoord van Marianne. Het maakt me onrustig. Ik kan me niet van het nare voorgevoel ontdoen dat er wat is gebeurd. Ik huiver bij de gedachte en berg het toestel weer op. Naast de krantenwinkel bevindt zich het grote herenhuis van de familie Beckers. Dit voorname stel mag er verantwoordelijk voor worden geacht dat vader en moeder mij per se naar de universiteit wilden sturen. De drie zonen Beckers hadden het stuk voor stuk tot iets geschopt waar onze ouders - in het bijzonder moeder - stikjaloers op waren. Tenminste één van ons moest daarom ook een universitair diploma halen. Aangezien Bob en Ben hadden gefaald en de zussen om diverse redenen niet tot studeren waren gekomen, rustte alle hoop op mij. Mijn slechte resultaten hebben moeder haast tot wanhoop gedreven. Het vierde huis is dat van de ouders van Elsje. Elsje is het enige meisje waar ik ooit verliefd op ben geweest. Ze was als kind erg mooi, had schattige sproetjes en droeg haar lange rode haren steeds in een lange, wapperende paardenstaart, die hoog op haar kruin ontsprong, waardoor hij een soort van vraagteken vormde achter haar hoofd. Telkens ik kon, liep ik de straat op om langs haar heen te lopen. Ik was in de hoogste hemel als ze even naar me keek. Maar dat gebeurde zelden. Meestal had ze geen oog voor mij. Iedere keer nam ik me voor haar een volgende keer aan te spreken. Dat heb ik nooit gedaan. Toen ze jaren later haar paardenstaart ruilde voor een millimeterbros, was mijn liefde op slag over. Van de ene dag op de andere zag ze er uit als een jongen, en liep ze hand in hand met een voluptueus meisje dat gehuld was in een brede salopette en dat er een soort van militaire pas op nahield. Elsje was opeens geen issue meer. Het volgende huis is dit van de familie De Greef. De vader van dit gezin werkt op hetzelfde bedrijf als mijn vader. Dat maakt hen tot collega’s, maar vrienden zijn ze niet. Mijnheer De Greef bekleedt namelijk een aanzienlijk hogere functie dan vader, wat voornamelijk moeder de ogen uitsteekt. Zij hoopt al jaren dat vader ooit een even hoge - of misschien wel hogere - functie zal bekleden dan De Greef. Maar vader gedijt beter in een ondergeschikte rol. Hakken tegen elkaar en knikken. Dat is meer iets voor hem. Naast de De Greefs woont de familie Oerlemans. De enige zoon van dit gezin heeft het, na een calvarietocht langs diverse universiteiten, alsnog tot advocaat geschopt. Ook een doorn in het oog van moeder. Het volgende huis is dit van de familie Hermans. Ook zij hadden maar één zoon: William. William was slechts twee jaar ouder dan ik en zat in dezelfde school, twee klassen hoger. Op een dag kwam hij op de speelplaats op me toegestapt. Hij vroeg of hij een keer mocht komen spelen. Ik durfde niet toe te zeggen. Moeder had niet graag dat er vreemde mensen over de vloer kwamen. Ze was er als de dood voor dat iemand haar innerlijke rust kwam verstoren. Uiteindelijk mocht ik bij hem komen spelen. Ik was in de wolken. Eindelijk had ik ook eens een speelkameraadje! Helaas bleek William een rare vogel te zijn. Hij was een kop groter en vier schouders breder dan ik en wilde altijd lijf-aan-lijfgevechten houden. Iedere keer kwam hij dan bovenop me liggen met zijn mond dicht bij de mijne, ademend in mijn gezicht. Hij lachte dan geheimzinnig en liep rood aan. Ik voelde me er onbehaaglijk bij. Toen hij enkele dagen nadien vroeg of ik nog eens wilde komen spelen, heb ik gezegd dat ik niet meer mocht van moeder. Twee jaar geleden heeft hij zich voor een trein gegooid. Arme William. Ik vervolg mijn weg. Het laatste huis voor het onze is dit van de familie De Boe… Ik blijf als aan de grond genageld staan, dek mijn ogen af voor de nijdige sneeuwregen en kijk verbijsterd toe, als een landbouwer die zijn oogst vernield ziet door een hagelstorm. Ik begrijp niet wat me overkomt. Hebben een handvol weken aan het andere eind van de wereld mijn geheugen aangetast? Loop ik aan de verkeerde kant van de straat? Ben ik een verkeerde weg ingelopen? Is het een straat die haast identiek is aan de onze?!? Het huis van de familie De Boeck, dat stond ingebed tussen het onze en dat van de familie Hermans, blijkt plots een hoekwoning te zijn! Op de plaats waar ons huis stond, strekt zich een door prikkeldraad omgeven weide uit. Ik kijk achter me de straat in om te verifiëren of ik iets over het hoofd heb gezien. Nee. Alles klopt: de bel-etagewoning op de hoek, de krantenwinkel ernaast, een analoge opeenvolging van huizen, de boompjes waarvan er twee ontbreken… Ik schud mijn hersencellen los en blijf, als door de hand Gods geslagen, naar het grasveld staan kijken. Ik lijk wel een alzheimerpatiënt die een ommetje maakt en plots niet meer weet waar hij zich bevindt! Terwijl de koude wind mijn oren haast van mijn kop blaast, denk ik aan vader en moeder. Meer in het bijzonder aan het laatste beeld dat ik van hen heb. De twee wassen beelden die naar het cameraoog van hun computer zitten te staren. In gedachten hoor ik weer het ijselijk gekrijs dat leek op te stijgen uit de krochten van de hel. Een ijzige hand grijpt me bij de keel. Er moet iets zijn gebeurd met vader en moeder. Met het huis. Hier moet een verklaring voor zijn. Maar welke? Ik moet er achter zien te komen. Op weg naar mijn broer Bob, van wie ik opheldering hoop te krijgen, vliegen steeds dikker wordende vlokken me om de oren. Aan mijn borstkas kleeft een wit harnas van sneeuw. En mijn doorweekte rugtas weegt als lood. Ik sla de hoek om en houd halt bij het eerste flatgebouw dat ik tegenkom. Het is hier, op de hoogste etage, dat Bob woont. Ik kijk langs de gevel omhoog, maar zien of hij thuis is, kan ik niet. Het dakappartement ligt een beetje naar achteren en is vanop de straat niet te zien. Ik kijk op de bovenste bel. Op het etiket staat in drukletters te lezen: ‘Bob en Frieda’. Ik leg mijn vinger op de knop maar trek meteen mijn hand weer terug. Wat stond er? Ik kijk opnieuw. Bob en Frieda. Ik frons mijn wenkbrauwen. Mijn schoonzus heet Helena! Niet Frieda. Zou Bob…? Ach, van een gluiperd als hij kun je alles verwachten. Ik haal mijn schouders op en druk op de bel. Even later boort zich een diepe mannenstem door de ijle winterlucht: “Hallo?” Ik kijk verrast op. Ik herken Bobs stem niet! Nooit eerder heb ik hem met zo’n bariton weten spreken. Zou hij verkouden zijn? Niet ondenkbaar met dit hondenweer. “Bob?” vraag ik met mijn mond dicht bij de microfoon. “Ja.” “Ik ben het, Boris.” Heel even blijft het stil aan de andere kant van de lijn, alsof ik een delicate vraag heb gesteld die een doordacht antwoord vergt. Dan klinkt het plots: “Boris wie?” Ik slaak een verveelde zucht en draai met mijn ogen. Al sinds mijn kindertijd vorm ik een dankbaar slachtoffer voor zijn plagerijen. Ik heb er een bloedhekel aan. Doorgaans geef ik het dan al op, maar die keuze heb ik deze keer niet. Ik wil weten wat er met ons huis is gebeurd. Ik vraag het hem. Op de man af. Ik hoor hem tot iemand anders het woord richten. Met gedempte stem. Een vrouwenstem op de achtergrond brabbelt een antwoord dat ik niet kan verstaan. “Hoe bedoel je?” klinkt dan weer de bariton in de parlofoon. “Ons huis is weg,” zeg ik. “Het staat niet meer op z’n plaats! Wat is er gebeurd? Waar zijn vader en moeder?” Er klinkt opnieuw een gesmoord gemompel waaruit ik niks kan opmaken, alsof hij de microfoon afdekt met zijn hand zodat ik niet kan verstaan wat hij tegen de ander zegt. “Wie zei je dat je was?” klinkt het even later. Ik voel mijn bloed beginnen te kolken, maar tracht me te beheersen. “Boris! Je kleine broertje, remember!” bijt ik hem toe. Heel even blijft het stil aan de andere kant van de lijn. Dan klinkt het: “Ogenblik! Ik kom naar beneden.” Terwijl ik wacht, stampvoet ik om me warm te houden. De straat wordt schaarsverlicht door een paar oude lantaarns. In het gele licht vechten de sneeuwvlokjes een dappere strijd met de zwaartekracht. Sommigen lijken zich een weg omhoog te willen banen doorheen een spervuur aan oplichtende watjes. Uiteindelijk moeten ze zich gewonnen geven en volgen ze de neerwaartse stroom van de andere vlokjes. Ik richt mijn blik omlaag. Het voetpad ziet eruit alsof er een lading poedersuiker over is uitgestrooid. Wanneer het licht in de gang aanfloept, keer ik me hoopvol naar de deur. Doorheen het glas zie ik hoe een man uit de lift komt gestapt. Ik kijk vreemd op. Mijn broer Bob is een grote, tengere man, net als ik. Deze kerel is klein van gestalte en heeft bicepsen als heliumballonnen. Hij kijkt me door het glas van de deur aan alsof hij meent dat ik een deurwaarder ben die zijn inboedel in beslag komt nemen. “Ja?” klinkt het nadat hij heeft opengemaakt. Ik kijk langs hem heen de gang in. “Sorry, ik denk dat dit een misverstand is,” zeg ik verontschuldigend. “Ik wilde eigenlijk mijn broer spreken.” “Wie is je broer?” “Bob. Hij woont op de bovenste etage.” De man kijkt me met half dichtgeknepen ogen aan. “Ik bén Bob… van de bovenste etage,” antwoordt hij afgemeten. “Hoe… maar…” “Ben je zeker dat je aan het juiste adres bent?” vraagt hij. “Ja…” De man merkt dat ik minder overtuigd ben dan mijn antwoord wil laten uitschijnen. “Hoe is de achternaam van de Bob die je zoekt?” vraagt hij. “Wolfs.” “En hoe ziet hij eruit?” “Lang, mager, een beetje zoals ik. En zijn vrouw heeft lange bruine haren. Tot hier.” Ik zet mijn hand haaks op mijn bovenarm om de lengte te tonen. “En ze heet Helena.” “Zegt me niks,” doet de man met vertwijfeld vooruitgestoken onderlip. “Er woont hier geen lange magere vent. En ook geen vrouw met zo’n haar die Helena heet.” Ik doe een stap achteruit en kijk omhoog naar de belendende gevels. Ik ben toch aan het juiste adres… dacht ik… “Weet u dan misschien of er ergens in de buurt een Bob Wolfs woont?” vraag ik. De man wordt ongeduldig. “Ik zeg toch dat de naam me niks zegt,” antwoordt hij geïrriteerd. “Is er nog iets? Ik heb het koud.” Ik schud mijn hoofd. Daarop sluit de man de deur en sloft naar de lift, zonder nog één keer om te kijken. Om zeker te zijn of ik wel bij het juiste flatgebouw heb aangebeld, loop ik de hele straat drie keer op en af. Ik bekijk alle bellen en brievenbussen, maar van ene Bob Wolfs geen spoor. Ik zie maar één verklaring. Wellicht is hij intussen verhuisd en heeft hij het als naar gewoonte nagelaten me in te lichten. Wie houdt er immers rekening met Boris? Niemand toch! Aangezien Ben en Bieke te ver uit de buurt wonen om er te voet naartoe te gaan en mijn geld op is, rest me enkel nog de mogelijkheid Bea op te zoeken. Ik wil een poging doen om haar om opheldering te vragen. Geen sinecure, want Bea is de zus die in een tehuis woont omdat ze een autismespectrumstoornis heeft. Zij leeft in een andere wereld. Maar met wat geluk heeft ze een goede dag en slaag ik er in haar even uit haar persoonlijke universum te lichten.Het tehuis waar ze onder toezicht verblijft, is maar een paar straten van hier. Als ik de korte weg door het park neem, ben ik er zo. In het park hangt een onaardse sfeer. De kale twijgen van de bomen zwiepen rusteloos heen en weer als geselroedes. Tijdens de zomermaanden klinkt hier alom het gefluit van vogels en ligt het grasveld bezaaid met mensen die zich tegoed doen aan de zon. Nu huilt er een ijzige wind door de bomen en zit het grastapijt verborgen onder een laag sneeuw. Ik trek mijn schouders hoog op en maak haast. Onder mijn voeten kraakt de sneeuw. Door de kale takken van de heesters doemt de gevel van het tehuis op waar Bea verblijft. Met zijn hoge ramen en zware eikenhouten deur doet het denken aan een 19e eeuwse instelling voor wezen. Het lijkt alsof de tijd hier heeft stilgestaan. Maar binnenin heeft het oude gebouw een heel ander karakter. De zieken zitten niet opgesloten in kleine cellen die hun mentale toestand allesbehalve ten goede zou komen. Ze worden niet beschouwd als patiënten. Wel als bewoners die elk een eigen ruime kamer ter hunner beschikking hebben. Voor een groot deel wonen ze zelfstandig. Enkel krijgen ze aangepaste begeleiding en dagactiviteiten. Het is een woonvorm die mensen met een psychische stoornis of verstandelijke handicap, die geen nood hebben aan een continu psychiatrisch toezicht, de gelegenheid biedt tot op zekere hoogte een normaal leven te lijden. Ik bel aan. De man die de deur opent, kijkt me vreemd aan. Hij heeft een opvallende kaakafwijking, en langs één kant een flapoor. Hij vraagt me wat ik wil. Ik zeg hem dat ik mijn zus kom bezoeken. Bea Wolfs. “Wie zegt u?” vraagt hij met zijn uitstaand oor naar me toegekeerd. “Bea Wolfs.” Hij kijkt me aan als een slager die je om een vers gesneden brood verzoekt. “Mag ik binnenkomen?” vraag ik. Ik maak aanstalten om de laatste drempel te beklimmen, maar hij houdt me tegen. “Wacht eens even. Wie is Bea Wolfs?” vraagt hij. “Mijn oudste zus. Ze woont hier al enkele jaren.” “Is dat zo? Vreemd dat ik nog nooit van haar heb gehoord.” “Is er misschien een begeleider in de buurt?” vraag ik voorzichtig. “Ik bén een begeleider,” klinkt het kort. “O! Sorry.” “Niet erg. Ik beschouw het niet als een belediging voor mezelf, maar als een compliment voor onze bewoners. Maar goed. U beweert dus dat uw zus hier al jaren verblijft?” “Toch al een jaar of tien.” De wenkbrauwen van de man lijken boven zijn neus samen te frommelen tot een knot. “Kijk eens aan,” zegt hij. “Dat is dan wel héél vreemd. Ik ben hier namelijk tewerkgesteld sinds de aanvang van het project en heb nooit iemand met die naam gekend. Bent u zeker dat u aan het juiste adres bent?” “Héél zeker. Ze was één van de eerste bewoners.” “Dat lijkt me sterk. Tenzij… Kan het zijn dat ze staat ingeschreven onder een andere naam? Misschien haar meisjesnaam?” “Bea Wolfs IS haar meisjesnaam. Ze is nooit gehuwd geweest. Daar is ze niet toe in staat. Ze heet gewoon Bea Wolfs - voluit Beatrijs - en heeft hier altijd zo ingeschreven gestaan.” “Bizar. Hoe ziet uw zus er precies uit?” “Groot. Ik schat een meter tachtig. Slank. Maar ze is in haar jeugd een tijdlang zwaarlijvig geweest. De sporen daarvan zie je nog. Ze heeft overtollig vel onder haar kin en onder haar bovenarmen als ze deze optilt. Ze heeft brede heupen en draagt een ouderwetse bril en een tandprothese.” “Het spijt me,” schudt de man, “maar we hebben geen enkele bewoonster die aan deze beschrijving voldoet. Ik vrees dat u zich vergist.” Hij wil de deur sluiten, maar ik wurm mijn voet tussen de kier. “Maar nee, ik vergis me niét!” roep ik. “U vergist zich! Ik weet zéker dat Bea hier woont! Laat me binnenkomen, dan wijs ik u haar kamer!” “Het spijt me,” zegt hij. “We kunnen hier niet zomaar eender wie binnenlaten. Onlangs nog is hier een poging tot verkrachting geweest. Sindsdien zijn we extra voorzichtig. Als u kunt aantonen dat u familie bent…” “Maar ik bén familie!” roep ik uit. “Bea is mijn oudste zus, zeg ik toch!” Ik wurm mijn mond door de kier en roep: “Bea!” Mijn stem galmt in de kale inkomhal. “Bea!!!” De man geeft me een duw, waardoor ik achteruit van de drempel tuimel en hij de deur met een klap kan dichtslaan. Ik krabbel overeind en blijf verbouwereerd staan kijken, tot ik boven me een raam hoor opengaan. Ik richt mijn blik omhoog en zie vijf hoofden simultaan in het venstergat verschijnen. Alsof er een meerkoppige draak naar voren leunt. Drie mannen- en twee vrouwenhoofden. Alle tien de ogen zijn op mij gericht. “Wie moet je hebben?” vraagt één der vrouwen, wier hoofd is omgeven door een weelderige bos rood kroeshaar waardoor ze op een circusclown lijkt. “Bea!” roep ik haar toe. “Bedoel je Beatrijs?” De anderen vier staren me intussen onbewogen aan. “Ja,” knik ik hoopvol. “Weet u waar ze is?” De vrouw leunt wat verder naar voren en spreekt me aan op zachte toon, alsof ze me een geheim toevertrouwt. “Beatrijs is geboren in een gezin met zes kinderen,” klinkt het. “Huh?!? Nee, vijf,” verbeter ik haar. Zonder naar me te luisteren, gaat ze verder: “Haar moeder stierf toen ze zeven was. Op tienjarige leeftijd is ze afgestaan als oblate aan de cisterciënzerinnenabdij Bloemendaal in Eerken. Door haar vroomheid mocht ze al op zestienjarige leeftijd haar geloften afleggen als novice in het klooster.” “Ho! Wacht even. Over wie heb je het?” vraag ik. “Beatrijs,” antwoordt de vrouw. “Beatrijs van Nazareth. Ook wel Beatrix van Tienen genoemd. Of Beatrix van Lier. “Wacht eens, die bedoel ik niet,” zeg ik. “Ik zoek Beatrijs Wolfs. Mijn oudste zus! Kennen jullie haar? Ze woont hier. Beatrijs Wolfs!” De vrouw lijkt even uit het lood geslagen. Haar ogen draaien zo ver weg dat enkel nog het wit is te zien. Zodra haar irissen weer tevoorschijn komen, vervolgt ze: “De wolf, canis lupus, is een zoogdier dat behoort tot de roofdieren en de familie der hondachtigen. Hij komt wereldwijd voor en…” “Godverdomme! Doe eens normaal!” schiet ik uit. Mijn stem klinkt ongenadig hard in de stilte van de avond. De vijfkoppige draak kijkt op me neer als een groep biologen op een pas ontdekte diersoort. Ze lijken te overwegen wat ze met me aan moeten. Dan deinzen hun hoofden plots simultaan achteruit en komt de man die me even tevoren nog aan de deur ter woord stond, uit het raam leunen. “Kan het een beetje rustiger?” sist hij me toe. “Ik wil mijn zus spreken,” zeg ik weer. “Jongeman, nogmaals, de vrouw die u beschrijft woont hier niet en heeft hier nooit gewoond. Doe me een plezier en ga naar huis uw roes uitslapen, want volgens mij heeft u te diep in het glas gekeken.” “Maar… dat is niet waar!” roep ik. “Ik heb…”De man trekt zijn hoofd terug en sluit het raam. Ik kijk om me heen in de hoop dat iemand me kan bijstaan. Maar de ongure winteravond houdt iedereen aan de haard gekluisterd. Er is geen levende ziel te bekennen op straat. Ten einde raad neem ik een aanloop en beuk met mijn schouder tegen de zware deur. Er gaat een snijdende pijn door me heen en ik slaak een kreet van pijn. Moedeloos zet ik me neer in de sneeuw en verberg mijn hoofd in mijn handen. ©photosuus instagram.com/suusb2b/

#Roman
12Sep2016
Tot ziens, Marianne (deel 17)
Lou Geluyckens

©photosuus instagram.com/suusb2b/ Xavier staat met gebalde vuisten tegenover me. Zijn knokkels heeft hij ingewonden met zwachtels. Zijn gelaat is krijtwit en zijn ogen roodomrand. Als een professioneel bokser wipt hij op en neer, alsof hij met blote voeten op een hete plaat staat. Af en toe strijkt hij met zijn duim langs zijn neus om een bengelende zweetdruppel af te vegen. Hij tracht een man-tegen-mangevecht met me aan te gaan, maar ik laat me niet opjutten. Niet dat ik zo vredelievend ben. Eerder een lafaard. Ik heb een erg lage pijngrens. Zo ik daartoe word uitgedaagd, wil ik nog wel eens een klap uitdelen, maar incasseren doe ik liever niet.   “Wat is er? Durf je niet? Lafaard!” roept hij me toe. Hij danst om me heen als een ballerina en haalt plotsklaps naar me uit. Met een felle linkse. Ik trek net op tijd mijn hoofd achteruit, waardoor zijn omzwachtelde vuist rakelings langs mijn neus scheert. Aan deze moordende dreun ben ik mooi ontsnapt, maar de volgende kan raak zijn.   “Lafaard! Kom op, als je durft!” schreeuwt hij me toe. Terwijl ik om me heen kijk om een vluchtweg te zoeken, blijft hij om me heen dansen. Het zweet druipt in beken van zijn gelaat, en op zijn sweater tekent zich een steeds groter wordende vochtvlek af. Ik krijg een arsenaal onaardigheden naar mijn hoofd geslingerd. Hij beschikt werkelijk over een onuitputtelijke bron aan scheldwoorden. Opnieuw schiet zijn linker uit. Ik wend mijn hoofd af en incasseer de klap op mijn wang. De dreun is niet hard genoeg om me neer te doen gaan, maar het aantal sterren dat ik zie, is niet te tellen. Ik ben bang dat het een kwestie van seconden is vooraleer ik uitgeteld op het canvas lig. Maar dan zie ik plots de cavalerie opdagen in de hoedanigheid van Marianne. Met zwiepende armen en hakkende hielen komt mijn beschermdame op ons toegelopen. Voor Xavier van zijn verbazing is bekomen, heeft ze naar hem uitgehaald. Als een moker planten haar knokkels zich op zijn neus. Bloedspetters spatten in mijn gezicht en op mijn kleren. Als een lappenpop zakt de Fransman in elkaar en blijft stuiptrekkend liggen. Ik kijk triomfantelijk op hem neer. De smaak der overwinning is zoet. Maar mijn vreugde is van korte duur. Vanuit mijn ooghoek zie ik Marianne’s vuist ook naar mij uitschieten. Voor ik de kans krijg te reageren, incasseer ik een voltreffer op mijn oog. Het volgende ogenblik lig ik uitgeteld bovenop Xavier. Ik word gewekt door een hemels gefluit. Een magistraal gezang dat zich door een haast onwezenlijke stilte boort. Ik open mijn ogen en bemerk boven me een dik bladerdek. Op een overhangende tak zit een gitzwarte vogel met oranje bek zijn ziel uit zijn lijf te zingen. Ik luister ingetogen naar het lied, tot ik me herinner wat net is gebeurd. Ik richt me op en kijk onder me. Ik lig niet bovenop Xavier. Wel op een harde bank in een plantsoen. Van de Fransman geen spoor. Evenmin van Marianne. Langzaam dringt het tot me door dat ik een nare droom heb gehad. Ik rek mijn armen en mijn benen uit, die aanvoelen alsof ik geradbraakt ben. Een houten bank biedt ruim plaats om languit te liggen, maar comfortabel is ze niet. Terwijl ik een luide geeuw slaak, wordt mijn aandacht getrokken door snelle voetstappen. Ik kijk op en zie in de schemer van het ochtendlicht een man naar me toe komen hollen. Ik zet me schrap. Een belager in het halfduister is waar ik als de dood voor ben. Gelukkig blijkt het een vroege jogger te zijn. Wanneer de man mij voorbij loopt, stoot hij doorheen zijn hijgende adem een binnensmonds “Morning” uit. Ik beantwoord zijn groet met een flauwe hoofdknik. Zodra de man uit het zicht is verdwenen, sta ik op en loop om de bank heen, schuifelend als een oude man met reuma. Ik zet me tegen een boom en laat mijn gouden straal een holte boren in het mulle zand tussen de uitstekende wortels. Warme spetters spatten tegen mijn blote onderbenen. Ik neem weer plaats op de bank en krab onophoudelijk over mijn armen en benen, die onder de rode bultjes te zitten. De muggen hebben een lekkere prooi aan me gehad. Ik diep mijn mobieltje op. Het display verklapt me dat het half zes is in de ochtend, wat betekent dat ik amper een uur of vijf heb geslapen. Ik voel me uitgeput en leg me weer languit op de bank. Ik sluit mijn ogen in de hoop gauw de slaap te vatten, maar al na enkele minuten ga ik weer overeind zitten. Er klinkt een aanzwellend rumoer van auto’s die langs het park heen rijden en de nachtelijke rust aan stukken rijten. Slapen gaat me niet meer lukken nu de stad bezig is te ontwaken.   Ik sta op van de bank, gooi mijn benen even los en loop het park uit. Mijn maag scheurt van de honger. Ik heb sinds gisterenochtend geen fatsoenlijke hap meer door mijn keel gehad. Of beter: sinds eergisterenavond, want een half bevroren stuk karton met vegemite kun je bezwaarlijk een fatsoenlijke hap noemen. Even nagaan of op dit ontiegelijk vroege uur ergens in Sydney een ontbijt te nuttigen is. Terwijl ik over straat loop, voel ik een kramp opkomen. Mijn darmen trachten me op een onbehaaglijke manier duidelijk te maken dat ze hun lading willen lossen. Een eind verderop hoor ik muziek klinken. Een vrolijk riedeltje dat me lokt als een zoete lekkernij. Ergens waar het zo vroeg op dag al een vrolijke bedoening is, wil ik graag mijn benen onder de tafel steken. Ik kan wat opmontering gebruiken. De zaak waar het vrolijke wijsje weerklinkt, is een Ierse pub. Wanneer ik de deur openzwaai, komt me een verschaalde bierlucht tegemoet gewaaid. In combinatie met een aanzienlijk aantal kubieke meter aan sigarettenrook, genereert het een walgelijke stank. Aan de toog hangen enkele verlepte kerels, als was aan een draad. Stuk voor stuk leunen ze met hun ellebogen op de bar en staren wezenloos naar hun biertje. Eén man zit aan een tafeltje in ontbloot bovenlijf. Zijn borst is bedekt met een dikke dons. Op zijn knie zit een dame die in zijn borsthaar woelt en hem woordjes toefluistert. Het is niet zeker of de man er zich van bewust is dat hem het hof wordt gemaakt. Hij betuigt niet de minste interesse in de vrouw. Zijn oogleden lijken elk honderd kilo te wegen en zijn hoofd staat wankel op zijn romp. Hoewel ik me niet aangetrokken voel tot dit gezelschap, betreed ik de kroeg en sluit de deur. Mijn darmen geven me met een pijnscheut te kennen dat ze geen uitstel meer dulden. De man achter de bar kijkt naar me op en vraagt wat ik moet. Ik vraag hem wat ze te eten bieden. Hij toont me een ketel waarin een prakje zit dat de hele nacht op kamertemperatuur heeft staan verkommeren. Ik bedank hem voor het aanbod. Mijn darmen zijn zo al opstandig genoeg. Koffie blijkt de man niet te schenken. Dus neem ik een cola, wat qua kleur en cafeïnegehalte een bakje troost het dichtst benadert. Ik neem een slok en ga op zoek naar het toilet. De vrouw, die op de schoot zat bij de dronkaard, is opgestaan en komt op me toegestapt, wankelend als een passagier op een dobberend schip. Ik trek grote ogen, want ze draagt broek noch rok. Het enige wat haar geslachtsdeel bedekt, is een minuscuul slipje dat haast transparant is van het geabsorbeerde vocht. Om haar bovenlijf draagt ze een mannenonderhemd dat aan de hals diep is uitgesneden. Het linker schouderstuk is afgezakt, waardoor haar ene borst bijna helemaal ontbloot is. Ze komt voor me staan en begroet me alsof ik een oude bekende ben.   “Hi, sweety!” zegt ze. Haar krakende bariton onthult de gevolgen van een zwaar leven. Terwijl ze me liefelijk aankijkt, streelt ze met haar knokige, naar nicotine ruikende vingers langs mijn wang. Ik kijk met grote ogen naar haar tepel die net boven de stof van het hemdje komt piepen. Een gigantische speen waarin een kind zich zou verslikken.   “You like my tit?” vraagt ze met een dikke tong. “If you buy me a drink, I let you suck it.” Ik slik hoorbaar, wat aan haar luchtpijp een ratelend geluid doet ontstijgen dat voor een lach moet doorgaan. Ik bekijk haar geopende mond met weerzin. Haar tanden hebben de kleur van melkchocolade. Ik loop om haar heen en tref achterin de kroeg twee deuren aan. Op de afbladderende zwarte verf staat op de ene deur in felrode letters ‘FIR’ te lezen, op de andere ‘MBAN’. De weinig verkwikkelijke geur die zich door de kieren naar buiten wringt, laat er geen twijfel over bestaan dat achter deze deuren de toiletten verscholen liggen. Maar achter welke deur zich het herentoilet bevindt, is me een raadsel. Gaelic is een taal die ik niet machtig ben. Ik kies voor de deur waarop het woord ‘MBAN’ is aangebracht, omdat ik daarin het Nederlandse woord ‘man’ meen te herkennen. Wanneer ik de deur opentrek, tref ik echter een dame aan op de pot, die haar slip op haar enkels heeft hangen. Ik schrik me een ongeluk om dit misverstand, maar zelf lijkt ze het niet erg te vinden. Ze neemt niet eens de moeite om haar harige marmot voor me te verbergen. Ik duw de deur gehaast weer dicht en duik het hokje in naast het hare. Meteen begrijp ik waarom de dame heeft nagelaten de deur op slot te doen. Enkel een ijzeren plaatje verraadt dat er ooit een schuifslot aan de binnenkant van de deur heeft gezeten. Hoewel ik het een vreselijke gedachte vind het risico te lopen gestoord te worden tijdens een intieme aangelegenheid als schijten, gesp ik mijn riem los en laat mijn broek zakken. Net voor ik wil gaan zitten, valt mijn oog op een grote prop wc-papier die boven het toiletwater uitsteekt en waarop een gigantische drol ligt te dampen. De stank is niet te harden, dus ik besluit eerst even door te trekken. De gevolgen zijn niet te overzien. Het waterpeil stijgt meteen tot aan de rand en zakt slechts mondjesmaat. Toch ga ik zitten. Ik houd mijn fecaliën namelijk geen minuut langer op. Met mijn ene hand houd ik mijn piemel omhoog, zodat die niet in het vieze water komt te hangen. Met mijn andere hand houd ik de deur dicht.   Het rolletje toiletpapier blijkt geen velletje meer te bevatten. Ik zie geen andere mogelijkheid dan met het harde karton van het lege rolletje mijn kont af te vegen. Wanneer ik het toilet verlaat, staat het wijf met de rotte tanden me op te wachten. Ze klampt me aan. Ze wil iets van me, maar ik weet niet wat. Ze murmelt iets, maar ik begrijp er geen jota van. Ik ontwijk haar graaiende handen en haast me naar buiten. Geen minuut langer blijf ik in dit voorgeborchte van de hel.   De frisse buitenlucht doet me herademen en mijn hongergevoel steekt weer op. Het is de hoogste tijd om op zoek te gaan naar een zaak waar men koffie schenkt en betere dingen aan de man brengt dan halfbevroren toast met een laagje vegemite. Of een kwakje stew waar maden in verpoppen. Ter wille van de miljoenen toeristen die jaarlijks de stad platlopen, moét er in Sydney ’s morgens iets eetbaars te vinden zijn dat niet aan gesmolten asfalt of uitwerpselen refereert. Na een dik uur door de stad te hebben gedoold, loop ik een straat in, waar een geur hangt die mijn speekselklieren aan het werk zet. Het is de geur van versgebakken brood, spek, eieren… Even verderop tref ik een kleine eetgelegenheid aan. Het interieur is krap, maar voor de etalage staan drie ronde tafeltjes met gietijzeren poot, waarvan het middelste onbezet is. Ik neem plaats en kijk monsterend om me heen. Links van me zitten twee heren tegenover elkaar. Ze praten luid en lijken me al erg goed wakker voor de tijd van de dag. De ene draagt een keurig overhemd met das. De andere, die flink wat kilo’s teveel met zich meedraagt en met zijn rug naar me toegekeerd zit, helt zo ver voorover dat zijn hemd achteraan omhoog geschort zit, waardoor een deel van zijn behaarde reet zichtbaar is. Niet erg appetijtelijk, maar als ik er niet naar kijk, heb ik er geen last van. Ik richt mijn blik op het jonge stel aan het tafeltje rechts van me. Ze kijken elkaar diep in de ogen en omklemmen elkaars handen alsof ze vermoeden dat de dag des oordeels is aangebroken. Achter hun rug staan twee trolleys tegen de etalage. Het heeft er alle schijn van dat hun reis er opzit en ze nog gauw een ontbijt nuttigen alvorens zich naar de luchthaven te reppen. Wanneer de ober hun ontbijt opbrengt, rek ik mijn nek uit om te zien wat op hun borden ligt: een kwak roerei, enkele lapjes gebakken spek en een paar knapperige worstjes. Ik weet meteen wat ik zal nemen. Daar heb ik geen menukaart meer voor nodig. De ober noteert mijn bestelling op een beduimeld notitieboekje en haast zich de zaak in. Wat later wordt een papieren placemat voor me op tafel gelegd en krijg ik een mandje brood en een kartonnen hoesje waarin een mes, vork en papieren servet gevat zitten. De koffie is zwart als de nacht. Nergens een spoor van melk of suiker. Vind ik niet lekker, maar ik durf de ober er niet om te vragen. Al te vaak nog slaag ik er niet in mijn kleed van schroom af te gooien. Een kwartier later krijg ik mijn ontbijt. Tegen die tijd schiet er van het brood niks over. Mijn honger was groter dan mijn geduld. Het ei had best nog wat zout kunnen gebruiken, maar de uitgesproken hartige smaak van het spek en de worstjes maakt veel goed. Ik schrok alles naar binnen alsof ik een week op water en brood heb geleefd. De luide boer, die me na afloop ontsnapt, zou me in China op goedkeurend geknik komen te staan, maar doet in Sydney de wenkbrauwen fronsen. Het jonge stel, dat wacht op zijn rekening, kijkt afkeurend naar mij. De dikke man met de behaarde reet keert zich met enige moeite naar me om en zegt: “ Radio Baghdad wishes you a pleasant morning!” Nadat ik heb afgerekend, zet ik koers richting Marianne’s flat. Ik kan er nu wel van op aan dat ze de deur uit is, wat me zal toelaten ongestoord mijn bezittingen bij elkaar te zoeken. Ik heb geen enkele behoefte meer haar te zien. Het enige wat ik nog wil is: alles wat me nog rest van bezittingen bij elkaar zoeken en via het internet een vlucht boeken naar België om daarna met de noorderzon te verdwijnen. Ik heb het gehad met Australië en in het bijzonder met Marianne en Xavier. Hoewel ik vastberaden ben, overvalt me een vreemd gevoel wanneer ik de flat betreed. Een soort van weemoed. Gisteren was dit nog een warme thuis voor mij. Nu voel ik me een indringer. Ik laat de deur zachtjes achter me in het slot vallen om bij de buren geen argwaan te wekken en laat mijn blik rondgaan. Mijn laptop staat opengeklapt op de salontafel. Ik zet me neer op de bank. Een kwartier later heb ik een zitje geboekt op een vliegtuig richting België. Morgen laat ik Australië definitief achter me. Jammer dat ik nog één nacht in het park zal moeten slapen eer het zo ver is. Ik klap de laptop dicht en begeef me naar de slaapkamer. Ik open de deur, maar kijk verbaasd op wanneer ik merk dat het er duister is. Het rolluik zit potdicht en er hangt een weeë nachtelijke geur. Vreemd, aangezien Marianne de gewoonte heeft de kamer te verluchten terwijl ze weg is. Ik ontsteek het licht en voel het bloed in mijn aderen stollen. Op het bed ligt Marianne. Roerloos. Op haar buik. Haar ene hand rust op het lege hoofdkussen naast haar, de andere hangt af naast het bed, als een liaan. Ze geeft geen teken van leven. Bevangen door angst wil ik op de vlucht slaan, maar ik verman me. Ik besef dat ik een zekere verantwoordelijkheid draag voor de toestand waarin ze zich bevindt. Het minste wat ik kan doen, is me vergewissen of ze nog leeft. Zo ja, is het mijn plicht om hulp te bieden. Zo nee, dan hoor ik er voor in te staan dat haar lichaam niet zal liggen wegrotten tot iemand de akelige ontdekking doet. Ik loop aarzelend tot bij het bed en reik naar haar. Mijn hand beeft als een espenblad. Wanneer mijn vingertoppen haar gezicht raken, stijgt een diepe zucht op uit haar keel en opent ze abrupt haar ogen. Ik deins geschrokken achteruit en kom ten val. Wanneer ze zich opricht, krabbel ik in paniek achterwaarts naar de deur toe. Haar aanblik vervult me met afschuw. Ze ziet er uit alsof ze een maand in een middeleeuwse kerker heeft doorgebracht en de vreselijkste martelingen heeft doorstaan. Haar haren plakken in klissen tegen haar bezwete hoofd. De huid rond haar rooddoorlopen ogen hangt een beetje af, alsof hij te ruim is. Haar oogleden zijn gezwollen en roodomrand, en haar neusvleugels opgezet. Haar lippen tenslotte zijn vormeloos en droog. Terwijl ik als in trance naar haar zit te kijken, met opgetrokken knieën en mijn armen achter me om mijn bovenlichaam te ondersteunen, hijst ze zich uit bed en komt op me toegelopen. Poedelnaakt en strompelend. Ik krabbel gehaast overeind en wil me uit de voeten maken, maar ze slaat haar armen om mijn nek en gaat met haar hele gewicht aan me hangen. Ik zak bijna door mijn knieën.   “Boris, je bent teruggekomen,” murmelt ze in mijn oor. Haar stembanden lijken van schuurpapier. Ik grijp haar polsen en tracht me uit de omklemming te bevrijden, maar het lukt me niet. Ze ziet er teer uit maar heeft de kracht van een werkpaard.   “Ik ben blij dat je teruggekomen bent,” fluistert ze.   “Ik ben niet teruggekomen,” zeg ik. “Ik kom mijn spullen halen. Ik ga weg.” Ze laat me los, zet een pas achteruit en kijkt me verbijsterd aan.   “Hoezo, je gaat weg? Waar naartoe?”   “Naar België.”   “Wat? Boris! Zeg dat je een grapje maakt.”   “Ik maak geen grapje. Morgen vertrek ik.” Ze kijkt me doordringend aan. Haar blik schiet over en weer van mijn ene oog naar mijn andere en terug.   “Boris, lieve Boris,” zegt ze. “Ik begrijp dat je boos op me bent. Je kunt de dingen die gisteren zijn gebeurd niet plaatsen. Dat is niet abnormaal. Ik heb het er ook moeilijk mee. Maar je reageert vanuit een impuls. Geef jezelf de tijd om alles te laten bezinken. We hebben ruzie gehad. Oké, dat is niet prettig. Op zo’n moment lijkt het alsof je hele wereld instort. Maar over enkele dagen zie je de dingen vast weer in het juiste perspectief. Dus ik smeek je: neem geen overhaaste beslissingen. Doe geen dingen waarvan je later spijt zult hebben. Blijf hier… asjeblieft…”   “Het is te laat, Marianne,” zeg ik. “Mijn vlucht is reeds geboekt.” Ze klampt zich opnieuw aan me vast en laat haar tranen de vrije loop.   “Boris, ik red het niet zonder jou!” snikt ze. “Sinds ik jou heb leren kennen, is mijn hele leven veranderd. Jij hebt emoties in me losgeweekt waarover ik geen controle heb! Ik zweer het je: ik kan niet verder zonder jou!”   “Sorry, maar mijn besluit staat vast,” zeg ik. Ik maak me los van haar. Ze kijkt me doordringend aan.   “Weet dan, Boris, dat ik niet insta voor de gevolgen,” klinkt het onheilspellend.   “Welke gevolgen?”   “Als je weggaat doe ik mezelf wat aan,” zegt ze. Haar donkere timbre verleent zoveel drama aan haar woorden dat ik huiver. Ik laat me bijna leiden door mededogen. Maar onmiddellijk gaat er iets in me in het verweer. Tegen emotionele chantage heb ik me leren wapenen. Getraind door moeder. Zij kon me als geen ander schuld aanpraten. Lang heb ik daaronder geleden en ben ik onder de chantage bezweken. Maar dat overkomt me niet meer. Met onverschilligheid kom je een eind verder. Ik doe alsof de betekenis van Marianne’s woorden me ontgaat en wil om haar heen lopen, maar ze doet een stap zijwaarts, waardoor ik gekneld kom te zitten tussen haar lichaam en de openstaande deur.   “Boris,” zegt ze met zwoele stem, “ik heb zin in je…” Ze schuurt haar geslachtsdeel tegen me aan en kreunt ingehouden, alsof de aanraking haar op de rand van een orgasme brengt. Ik duw haar van me af en begin mijn kleren bij elkaar te rapen, die bij gebrek aan bergruimte verspreid liggen over de vloer. Terwijl ik gehurkt zit, gooit ze zich naast me op het bed, dat kraakt als een oude hooiwagen. Het stof, dat opdwarrelt, dringt zich in mijn neusholtes en doet me niezen. Ze grijpt me bij de pols en trekt me naar zich toe. Het voelt alsof me een handboei wordt omgedaan.   “Boris? Kunnen we de klok niet terugdraaien?” vraagt ze.   “Terugdraaien tot wanneer?” merk ik cynisch op. “Tot het punt voor ik me ervan bewust was dat je Jan kende?” Ze laat zich met haar achterhoofd op haar kussen ploffen en richt haar blik ten hemel.   “Goddamn, Boris. Hoe kan ik je ooit aan het verstand brengen dat ik die Jan Bitterbier van jou niet ken?” roept ze uit. “Ik zweer op het graf van mum en dad dat ik nooit van die man heb gehoord! Laat staan dat ik hem ken! Geloof me nou toch eens een keer!” Ik sta recht en kijk op haar neer. Ze klinkt zo radeloos dat ik begin te twijfelen. Zweren op het graf van je ouders doe je niet zomaar. Daar moet je een goede reden voor hebben. Stél dat ik me vergis en ik die man verkeerdelijk voor Jan houd… Ik besluit haar een laatste kans te geven de waarheid te spreken.   “Zeg me dan wie het was die gisteren bij jou stond,” zeg ik. “Was het die Matthew? Heb je nog steeds een relatie met hem?” Ze richt zich op. “Boris, voor de laatste keer: ik heb niemand gezien of gesproken toen jij in die winkel om bier was! Ik heb helemaal alleen op jou heb zitten wachten!” Dit neemt alle twijfel weg. Ze is van kwade wil. Dat ik me van persoon vergis, wil ik nog aannemen. Maar dat ze me wil doen geloven dat ik niemand bij haar heb zien staan, getuigt van absoluut misprijzen voor mij. Mijn ogen bedriegen me niet. Ik héb een man bij haar zien staan! Geen weg naast! Ik bijt haar toe dat ik het schijt heb aan haar leugens. Daarop laat ze zich achteruit op het bed vallen, waarbij haar hoofd even opveert voor het blijft liggen. Ik graai mijn kleren bij elkaar, prop ze in mijn rugzak en druk ze aan met een gebalde vuist. Voor ik de slaapkamer verlaat, werp ik nog even een vluchtige blik op haar. Ze ligt in foetushouding en huivert als een pas geschoren schaap. In de woonkamer gris ik mijn laptop van de tafel. Met mijn rugtas over mijn schouder en mijn computer onder mijn oksel gekneld, loop ik naar de deur. Net voor ik het appartement wil verlaten, hoor ik achter me een gestommel klinken. Ik kijk over mijn schouder en zie dat Marianne de woonkamer komt in gehold.   “Boris, don’t do this to me,” roept ze luid. Ze kijkt me aan met diepliggende ogen, als een terdoodveroordeelde net voor zijn terechtstelling. Haar gezicht is nat van de tranen. Bij de aanblik voel ik mijn hart breken.   “Zeg me dan de waarheid,” probeer ik ultiem. Ze komt op me toegestapt en legt de vingers van één hand op mijn borst. Het is haast een religieus gebaar, als de aanraking van het kruis tijdens de offergang.   “Welke waarheid wil je horen, Boris?” vraagt ze kalm. “De echte waarheid of jouw waarheid? Want dat zijn twee verschillende dingen. Jij wilt te horen krijgen wat jij meent dat de waarheid is. Ik zou je daarin tegemoet kunnen komen en je een verhaaltje opdissen, maar wat ben je daarmee? Wat voor zin heeft het dingen toe te geven die zich niet hebben voorgedaan? Het is als een door marteling verkregen bekentenis: het heeft geen enkele waarde. Dus geloof me nou. Ik ben onschuldig. Terwijl jij in die winkel was, heb ik met niemand gesproken.” Ik sla haar vingers van me af als was het een kakkerlak, maar ze klampt zich aan me vast.   “Boris, laat me niet alleen. I beg you!” doet ze smekend. Ze neemt mijn hand en leidt deze naar haar geslacht, dat nat is als een spons. Ik duw haar van me af en hol naar de lift.   “Boris! Nee!!” schreeuwt ze me na. Haar kreet galmt in de traphal als een echo in de Alpen. Ik duw op de knop van de lift, maar deze is in gebruik, wat Marianne de tijd geeft om achter me aan te komen. Ze grijpt me bij de arm en trekt me weg van de lift. Ik tracht me te verzetten, maar haar kracht is immens. Stapje voor stapje weet ze me naar de flat te slepen. Aan de deurstijl klamp ik me vast, als een jongetje dat de school niet in wil. Daarop buigt ze zich naar mijn hand en bijt in mijn vingers. Ik slaak een kreet van pijn en los mijn greep. Met een ruk wil ze me de flat inslepen. Door de kracht die ze uitoefent op mijn arm, laat ik me mijn laptop ontglippen. Het toestel valt met een bons op de vloer en barst open. Van de verwarring maak ik gebruik om me los te wrikken en opnieuw naar de lift te rennen. Marianne wil meteen weer achter me aan hollen, maar struikelt over de laptop en valt. Ze smakt met haar hoofd op de harde stenen vloer en blijft roerloos liggen. Ik druk intussen als bezeten op de knop van de lift. Terwijl ik wacht op de komst van de lift, hoor ik achter me plots een grommend geluid weerklinken. Ik kijk om en voel mijn haren ten berge rijzen. Marianne komt op handen en knieën naar me toe gekropen, met bloeddoorlopen ogen en borsten die als uiers tussen haar armen bengelen. Uit haar linkeroor sijpelt een fijn straaltje bloed. Ze lijkt wel een gewond dier dat op het punt staat een bloeddorstige aanval uit te voeren. Ik hamer uit alle macht met mijn vuist op de liftknop. Net voor ze haar graaiende hand om mijn enkel kan slaan, schuiven de deuren open en stort ik me in de kooi. Wanneer de deur zich achter me sluit en de lift zich in beweging zet, hoor ik een hartverscheurende kreet weerklinken, die uitsterft naarmate de lift verder daalt. Eerder verschenen: Tot ziens, Marianne (deel 1) https://yoo.rs/r/19942 Tot ziens, Marianne (deel 2) https://yoo.rs/r/20235 Tot ziens, Marianne (deel 3) https://yoo.rs/r/20543 Tot ziens, Marianne (deel 4) https://yoo.rs/r/20799 Tot ziens, Marianne (deel 5) https://yoo.rs/r/20972 Tot ziens, Marianne (deel 6) https://yoo.rs/r/21293 Tot ziens, Marianne (deel 7) https://yoo.rs/r/21538 Tot ziens, Marianne (deel 8) https://yoo.rs/r/22028 Tot ziens, Marianne (deel 9) https://yoo.rs/r/22211 Tot ziens, Marianne (deel 10) https://yoo.rs/r/22465 Tot ziens, Marianne (deel 11) https://yoo.rs/r/22721 Tot ziens, Marianne (deel 12) https://yoo.rs/r/23021 Tot ziens, Marianne (deel 13) https://yoo.rs/r/23587 Tot ziens, Marianne (deel 14) http://yoo.rs/r/24458 Tot ziens, Marianne (deel 15) http://yoo.rs/r/26402 Tot ziens, Marianne (deel 16) http://yoo.rs/r/29396

#Roman
08Aug2016
Tot ziens, Marianne (deel 16)
Lou Geluyckens

De weg naar de haven lijkt langer dan op andere dagen. Mijn schoenen zwaarder. Twee dagen nadat we als bronstige stieren tegenover elkaar stonden, zullen Xavier en ik elkaar weerzien. Ik zie er tegenop, maar kan hem niet uit de weg blijven gaan. Ik heb me voorgenomen te doen alsof er niets aan de hand is. Windstilte is het beste middel om woelig water tot bedaren te brengen. Op die manier leg ik de bal tevens in zijn kamp. Als ik ‘normaal’ doe, is het aan hem om adequaat te reageren. Beantwoordt hij mijn inschikkelijkheid met evenredige edelmoedigheid, dan kunnen we verder. In het andere geval hebben we een probleem. Het is nog vroeg op de dag, maar de hitte is al drukkend. De lucht boven het wegdek zindert als stoom boven een kookpot. Ik zoek doelbewust de schaduwzijde van de straten op omdat de temperatuur in de zon niet te harden is. Desondanks loopt het zweet in beken over mijn rug. Maar misschien is mijn nervositeit daar ook wel voor een deel verantwoordelijk voor. Xavier staat op de kade, naast de loopbrug van de Soren Larsen. Ik neem aan dat hij het is, want hij staat met zijn rug naar me toegekeerd en heeft de kap van zijn sweater over zijn hoofd getrokken, wellicht om zich te beschermen tegen de brandende zon. ©photosuus instagram.com/suusb2b/ Ik nader hem langs achter en schraap mijn keel om zijn aandacht te trekken. Hij reageert niet, maar beweegt zijn hoofd ritmisch op en neer, als een religieuze Jood bij de Klaagmuur.   “Xavier?” zeg ik. Ook nu reageert hij niet en blijft met zijn hoofd staan wiegen als een autist met een ritmische bewegingsstoornis. Ik hef mijn hand en tik hem zachtjes op de schouder. Hij draait zich met een ruk om en kijkt me aan alsof hij de dood in de ogen blikt. Hij lijkt geschrokken te zijn. Even meen ik dat hij me gaat aanvliegen, want zijn blik is donker en onheilspellend. Maar een seconde later verdwijnt de duistere gloed uit zijn ogen en verschijnt een minzame lach op zijn gelaat.   “Didn’t you hear me?” vraag ik. Hij bestudeert mijn lippen als een dove en maakt met een diepe frons duidelijk dat hij me niet begrijpt. Wanneer hij zijn kap afgooit en een minuscuul oortje uit zijn oorschelp prutst, klinkt een snerpend geluid op.   “Sorry,” zegt hij. “I was listening to my favorite music. Daft Punk. The best French group ever! What did you say?”   “Nothing.”   “O! Well, I’m glad to see you. How are you today?” Ik bekijk hem argwanend. Ik vertrouw het niet dat hij me begroet alsof we nooit onenigheid hebben gehad. Het lijkt me onaannemelijk dat hij zomaar de spons veegt over een dispuut als het onze. Zijn ego is een stuk groter dan het mijne. Ik kan me niet inbeelden dat hij zich hetzelfde voornemen heeft gemaakt als ik. Ik tracht mijn argwaan te bedwingen, maar wanneer hij ook nog eens kameraadschappelijk zijn arm over mijn schouders legt terwijl we aan boord gaan, wordt mijn wantrouwen nog aangescherpt. Bovendien is zijn lach iets te gul. Het klinkt me vals in de oren. Ik voel me als het jongetje uit Hans en Grietje dat met lekkers in het peperkoekenhuisje wordt gelokt om even later in een betraliede kooi te belanden. Ik ben op mijn hoede. Tijdens het weekend vaart de Soren Larsen tot zes keer per dag uit. Telkens met een overvloed aan toeristen aan boord. We hebben het erg druk, waardoor het me geen moeite kost om afstand te houden van Xavier. Loop ik hem toch tegen het lijf, dan verschijnt telkens een brede lach op zijn gelaat, waarvan ik huiver omdat hij me herinnert aan de valse grijns van the Joker in de Batmanfilms. Nadat we een laatste keer zijn aangemeerd, krijgen Xavier en ik als vanouds de weinig benijdenswaardige taak toebedeeld het dek te schrobben. Ik kwijt me van mijn taak als een plichtbewuste soldaat. Dikke druppels zweet, die onophoudelijk van mijn voorhoofd lekken, vermengen zich met het zwarte sop. Tegen het eind van het karwei komt Xavier plots op me toegestapt. Zijn lach is breder dan ooit, maar in zijn ogen schuilt de blik van een roofdier. Hij vraagt me of ik ooit van de ‘World Bar’ heb gehoord. Ik graaf voor de vorm in mijn geheugen, maar de naam zegt me niets.   “It’s a fantastic bar!” zegt hij eufoor. “The best place in town to party all night.” Ik begrijp waar hij naartoe wil en hul me in stilzwijgen. Het lijkt me verstandig de brand in de kiem te smoren door me van de domme te houden. Maar eens Xavier zijn gedachten op iets heeft gezet, is zijn voortvarendheid met geen middel te stoppen. Met een toon in zijn stem, die het midden houdt tussen vleierig en gebiedend, vraagt hij me hem te vergezellen naar de bewuste bar. Ik kijk hem lusteloos aan. Al was die bar het equivalent voor de hemel op aarde, dan nog liet ik me er met geen paarden naartoe slepen. Niet door hem.   “Please?” doet hij kinderlijk.   “Sorry, but I have other plans,” zeg ik.   “What plans? Fucking with that girl again?” vraagt hij met een metersbrede grijns op zijn gelaat. In gedachten zie ik hem een mes tussen zijn tanden geklemd houden. Ik wil wat opwerpen, maar kom niet verder dan wat gestamel. Ik weet niet hoe ik hem moet afschepen zonder een nieuwe aanvaring te riskeren.   “What plans?” vraagt hij opnieuw. Ik haal mijn schouders op. Het is de enige reactie die ik kan bedenken.   “You know… why don’t you invite her to come with us,” werpt hij op. Ik voel mijn adem stokken. Dit is het moment waarvoor ik altijd al heb gevreesd. Onder geen beding kan ik toestaan dat Marianne en hij elkaar treffen. Marianne zou woedend zijn. En mijn gezichtsverlies desastreus! Ik dreig verstrikt te raken in het web van mijn eigen leugens.   “Well?” dringt hij aan.   “I don’t think that’s a good idea,” zeg ik.   “Why not? Why don’t you want me to meet her?” Meteen na die woorden tekent zich opnieuw een boosaardige grijns af om zijn lippen. Met tot spleetjes gevormde ogen zegt hij: “Wait a minute. I know why you don’t want me to meet her! You’re afraid to lose her to me!” Ik denk dat hij een grapje maakt, maar de eigendunk druipt uit zijn ogen. Hoe bestáát het dat iemand zo’n verwaandheid aan de dag legt?! Wat een schaamteloze eigenliefde! Ik slaak een honend lachje. Niet met opzet. Het gebeurt onbewust. Ongecontroleerd, als een hik of een hoestje. Maar het heeft een effect op hem als een godslastering op de paus. De blik, die hij me toewerpt, is vernietigender dan een bad zoutzuur. Hij reageert woest en vraagt me of ik mezelf al eens in de spiegel heb bekeken, lelijkaard die ik ben met die ontsierende ader op mijn voorhoofd. Ik voel mijn blik verstarren. In een impuls gooi ik hem mijn zwabber tegen de schenen, keer hem mijn rug toe, en storm de loopbrug af alsof ik door een zwerm bijen op de hielen word gezeten. Terwijl ik het grote plein over hol, voel ik zijn ogen op mijn achterhoofd branden. Als het kogels waren, zat ik zo meteen verpakt in een bodypack. Marianne en ik komen op precies hetzelfde moment toe bij het appartement.   “Hi, sweety,” begroet ze me. Haar gezicht blinkt als een spiegel en haar oksels verspreiden een weinig aangename geur. Ik krijg een kleddernatte zoen, waar ik - vanwege mijn ergernis - nu even geen zin in heb. Ik veeg haar speeksel van mijn lippen.   “Wat is er?” vraagt ze.   “Niks,” antwoord ik kort.   “Did you have a bad day?” Ik haal onverschillig mijn schouders op, maar het gebaar spreekt boekdelen.   “Wil je erover praten?” Ik schud beslist het hoofd.   “Poor boy. Misschien is het de hitte,” zegt ze. “Die kan een mens wel eens tot ergernis drijven. Ik denk dat je wat innerlijke verkoeling kunt gebruiken. Ik alleszins. Maar weet je wat nou het geval is? Ik ben domweg vergeten mijn voorraad drank aan te vullen. Ik heb geen druppel meer in huis. Misschien is het een uitgelezen gelegenheid om een stapje in de wereld te zetten. Het is zaterdagavond en we zitten al zo vaak op onze flat. We lijken wel een bejaard stel!” Haar eigen stomme opmerking volstaat om haar die vreselijke lach te ontlokken die het voegsel van tussen de bakstenen doet korrelen en mijn tenen doet krullen.   “Wat denk je?” vraagt ze. “Ik weet een bar waar het heerlijk toeven is op zaterdagavond.”   “Toch niet de World Bar?” reageer ik nors. Ze kijkt me verbaasd aan. Argwanend, lijkt het wel.   “Ken jij de World Bar?” vraagt ze.   “Nee. Maar sommige crewleden van het schip gaan op zaterdag daar wel eens wat drinken en ik voel geen enkele behoefte om hen vandaag nog een keer tegen het lijf te lopen,” zeg ik.   “O, ja. Dat begrijp ik,” knikt ze. “Nee, we gaan niet naar de World Bar. Daar is het overigens veel te druk. Ik wil ongestoord met je kunnen praten.” Ik kijk haar onderzoekend aan. Ik vraag me af waarover ze met me wil praten. Het lijkt een ernstige aangelegenheid.   “Kom,” wenkt ze me. Ze zet zich in beweging.   “Hé, wacht! Kunnen we niet eerst even naar boven gaan?” roep ik haar na. Ze keert zich naar me om. “Waarom?”   “Om een douche te nemen.”   “Ach, dat kan straks nog. Dat heeft nu geen enkele zin. Je zweet je binnen de twee minuten opnieuw te pletter.”   “Ja, maar ik stink.”  Ze buigt zich naar me toe en snuffelt aan mijn hemd.   “Je stinkt niet,” zegt ze stellig. Ik hef mijn arm en ruik aan mijn oksel.   “Jawel, ik stink als de pest!” zeg ik. Ze duwt haar neus in mijn armholte en neemt een diepe teug. Wanneer ze zich weer opricht, draaien haar ogen weg alsof ze net een lijntje coke heeft gesnoven.   “Mmmm… heerlijk!” doet ze. “Je hebt geen idee hoe opgewonden ik word van jouw zweetgeur!” Ik sta haar perplex aan te kijken. Ik vind het walgelijk wat ze doet. Zweetgeur vind ik één der wansmakelijkste geuren op aarde. Niets om opgewonden van te raken. Maar Marianne denkt er duidelijk anders over. Ze kijkt me aan met een zwoele blik in haar ogen, neemt onverhoeds mijn hoofd tussen haar handen en wurmt haar tong in mijn mond. Het volgende ogenblik maalt ze haar tong zo driftig rond, dat het lijkt alsof ze mijn tanden op een hoopje wil keren. Ik onderga de aanval, tot ik achter mijn rug plots een uitzinnig gekrijs hoor opklinken, als van een chimpansee die onder de voetzool wordt gekieteld. Ik ruk me los en sla bleek uit wanneer ik zie dat Xavier zich enkele meters van ons vandaan staat te bescheuren. De klootzak is me gevolgd en beleeft nu het plezier van zijn leven. Marianne kijkt de Fransman vernietigend aan en snauwt hem toe: “What’s your problem? Is there something funny about us?”.   “Something funny?!?” krijst de Fransman, hinnikend als een paard. “Boris told me his girlfriend was seventeen and very skinny. But look at you! You’re an old lady and a fat cow!” Na die woorden, die raak treffen als gigantische hagelstenen, is het alsof Marianne’s borstomvang in de breedte verdubbelt.   “Bugger off, bastard,” snauwt ze. Met haar borsten als een stootblok voor zich uit, stoomt ze op Xavier toe, die meteen het hazenpad kiest. Lijfsbehoud voor alles. Marianne kijkt de onverlaat na met haar handen in haar zij, maar zodra hij de hoek om is, keert ze zich naar mij en kijkt me vernietigend aan. Als een soldaat, met zwiepende armen en hakkende hielen, komt ze op me toegestapt.   “Boris? Who was this bloke?” vraagt ze, terwijl ze pal voor me komt staan. Haar blik dringt zo diep in mij door dat mijn hersenen vuur lijken te vatten. Ik durf haast niet te ademen.   “Boris?” dringt ze aan.   “Dat… dat was Xavier,” beken ik mompelend. Bij het horen van die naam, gooit Marianne haar hoofd in haar nek en slaakt een kreet van woede.   “You… you…” Ze zoekt naar woorden die me zouden treffen als messen, maar vindt er geen. Ik sla beschaamd mijn blik neer.   “Okay! If that’s the way you want it…” zegt ze. Ze keert zich woedend van me af en loopt de straat uit. Ik weet niet wat te doen en ga in paniek achter haar aan.   “Marianne! Wacht!” roep ik. Ze luistert niet en blijft als een stoomtrein voortrazen. Aangedreven door een flinke dosis adrenaline houdt ze er ontzagwekkende snelheid op na. Ik slaag er niet in haar bij te benen. Wanneer we even later een park betreden, laat Marianne zich onverwacht op een bank ploffen. De adrenaline, die als brandstof diende, is opgebruikt. Ze slaakt zo’n diepe zucht dat ze lijkt leeg te lopen als een ballon. Ik loop behoedzaam op haar toe en neem aarzelend plaats op het uiterste einde van de bank, op een veilige afstand van haar. Zonder een woord te wisselen, zitten we de volgende minuten elk voor ons uit te staren, als twee volslagen vreemden die toevallig dezelfde bank hebben uitgekozen om op adem te komen. Na wat een eeuwigheid lijkt, draait ze haar hoofd plots in mijn richting en kijkt me langdurig aan. Hoewel ik haar blik op de flank van mijn hoofd voel branden, blijf ik star voor me uit kijken, wat haar een diepe zucht ontlokt waarmee ze haar toenemende ergernis kenbaar wil maken.   “Doe nou niet alsof je ’t niet merkt,” zegt ze bijtend. Ik draai mijn hoofd en kijk haar aan.   “Wat?” tracht ik verbaasdheid voor te wenden.   “Dat ik al een halfuur naar je zit te kijken,” sneert ze. Ik speel de vermoorde onschuld, maar het is te doorzichtig. Nog even blijft de spanning aanhouden, maar dan werpt ze me de vraag voor de voeten waarvoor ik bevreesd was als een peuter voor een grommende hond. Ze vraagt waarom ik met Xavier ben blijven optrekken ondanks haar uitdrukkelijke vraag dat niét te doen. Ik voer aan dat hij mijn enige vriend is in Australië, dat ik niet te kiezen heb. Mijn eerlijke antwoord lijkt haar wat te bedaren.   “Kijk eens, het kan best zijn dat je behoefte hebt aan een goede vriend,” zegt ze op mildere toon, “maar dat neemt niet weg dat jij geen partij bent voor zulke etterbakken. Jij hoort uit de buurt te blijven van dat soort kloothommels! Wanneer ga je dat nou eens van me aannemen?” Ik heb geen verweer en staar zwijgzaam naar mijn tenen.   “Heb je overigens gehoord hoe die eikel me durfde te noemen?” vraagt ze. “Nou?”   “Een vette koe,” antwoord ik naar waarheid. Ze kijkt me vernietigend aan. Ze had niet op een eerlijk antwoord gespeculeerd en lijkt boos te gaan worden. Maar dan dringt het idiote karakter van de hele scène plots tot haar door en ontsnapt uit haar mond een ingehouden gesis dat even later uitgroeit tot een klaterende lach.   “Weet je, Boris, eigenlijk ben jij een vermakelijke kerel!” hikt ze. “Godsamme! Hoe oud had je overigens gezegd dat ik was?”   “Zeventien,” fluister ik.   “Nou, dat is flatteus. En hoe zag ik er precies uit in jouw fantasie?”   “Tenger met rood haar en sproetjes…”  Haar lach rijt andermaal het bladerdek boven ons hoofd aan flarden.   “Hoe kom je daar nou bij?” giert ze het uit.   “Ik weet niet. Het kwam ineens in me op toen hij naar je vroeg. Ik had ergens een meisje gezien dat aan die beschrijving voldeed…”   “En dan mat je mij je natte droom maar aan.”   “Sorry,” zeg ik.   “Ach… kan mij wat schelen,” doet ze schouderophalend. “Ik weet hoe jullie adolescenten in elkaar zitten. Jullie pochen er wat op los. Indruk maken… het typische haantjesgedrag. Prestige staat voorop. Dat maakt mijn zaak toch niet. Ik weet best dat ik een kilootje teveel heb, maar wat telt, is dat jij daar geen probleem van maakt!” Ze droogt haar tranen met haar zakdoek en snuit haar neus.   “Kom! Kom nou wat dichter tegen me aanzitten,” zegt ze. “Straks val je nog van de bank!” Ik schuif naar haar op, waarna ze haar bezwete hoofd meteen op mijn schouder legt.   “Weet je, Boris, ik vind het erg lief van je dat je me neemt zoals ik ben,” zegt ze. “Weet je wat ik denk? Ik denk dat jij oprecht van me houdt. Is dat zo? Hou jij van me?” Ze overvalt me met die vraag. Ik heb geen idee hoe ‘houden van’ precies aanvoelt, want ik heb nooit eerder van iemand gehouden. Maar als ‘houden van’ hetzelfde is als ‘gevoelens hebben voor iemand’, dan denk ik wel dat ik in zekere zin van haar houd.   “Ik denk het wel,” zeg ik aarzelend. Ze richt haar hoofd op en kijkt me aan.   “Zou je met me willen trouwen dan?” vraagt ze. Hoewel de omgevingstemperatuur nog makkelijk 35 graden bedraagt, voel ik me koud worden tot in het diepst van mijn lichaam. Ze kijkt me met haar priemende ogen aan, met die blik waarmee ze in staat moet zijn mensen te hypnotiseren.   “Wat? Waarom niet?” vraagt ze. “Wat heb je in België nog te zoeken? Je broers en zussen hebben geen greintje interesse in je. Je ouders lopen je in de weg. Vrienden heb je er niet. Ik vraag me af of je nog een reden kunt bedenken om terug naar België te gaan.”   “Ik…”     “Wat? Vind je me te oud misschien?” valt ze me in de rede. “Nou, dat is fraai! Om lekker van bil te gaan, vind je me niet te oud, maar als het er op aankomt je te binden, zing je plots een ander lied!” Ik voel me verstijven tot in mijn tenen. Hoe moet ik me uit deze benarde situatie redden? Maar dan verschijnt plots een relativerend glimlachje om haar mond.   “Hé, sufferd,” zegt ze. “Ik ben je maar een beetje aan het jennen, hoor. Ik begrijp best dat een jonge kerel als jij zich niet wil binden aan een oude doos als ik. Maar je moet het breder zien. De beweegredenen voor een huwelijk zijn divers. Met de verblijfsvergunning die je nu hebt, kun je niet langer dan een paar maanden in dit prachtige land blijven. Maar door met me te trouwen, zou je jezelf legaliseren. Je kunt zo de dubbele nationaliteit verwerven en gaan en komen wanneer je wilt. Een uitgelezen kans toch? En wees niet bang. Ik maak me echt geen illusies. Ik weet dat je vroeg of laat nood zult hebben aan ‘een groen blaadje’. En ik zeg niet dat ik dat niet jammer zal vinden - ik vind jou immers oprecht een leuke knul - maar zolang dat niet het geval is, kunnen we lekker genieten van elkaar … for the time being.” Hoewel het allemaal meteen een stuk aannemelijker klinkt, blijf ik beven als een riet.   “Ach, arme jongen,” zegt ze. “Ik weet best dat ik je hiermee overval, hoor, maar je hoeft ook niet meteen te beslissen. Laat het rustig bezinken. Je weet nu dat ik bereid ben om jou deze vriendendienst te bewijzen, verder doe je ermee wat je wilt. En nou heb ik hoogdringend nood aan alcohol. Ik verga van de dorst. Weet je, daarginds is een winkel!” Ze wijst. Ik volg haar vinger met mijn blik. Doorheen de bomen ontwaar ik een etalage.   “Ik stel voor dat één van ons wat bier gaat inslaan, terwijl ik hier op de bank blijf zitten,” zegt ze. Ik kijk haar verward aan. Ze schiet in de lach.   “Lag het er wat te duidelijk op?” vraagt ze. “Nou, je mag wel eens iets voor me terugdoen, niet? Ik heb al zoveel kastanjes voor je uit het vuur gehaald.” Daar heeft ze een punt. Met slepende voeten begeef ik me op pad. De buurtwinkel houdt het midden tussen een kruidenierszaak, een dagbladhandel, een toeristenshop en een vuilnisbelt. Overal ligt of staat wat. Ik dien goed op te letten waar ik mijn voeten zet om mijn nek niet te breken. Het lijkt wel of er een bom is ontploft in de zaak. Ik loop doorheen de rekken en tref in de verste hoek, vlak naast het grote uitstalraam, een manshoge koelkast aan. Ik open de glazen deur, waarna een deel van de etalage meteen beslaat. Ik buig me voorover en neem twee blikken pils uit de kast, die ik tussen mijn voorarm en mijn borst klem. Net wanneer ik de deur van de koelkast weer wil sluiten, wordt mijn aandacht getrokken door een opvallende schim die voorbij het raam schrijdt. Ik wrijf met mijn vlakke hand de aanslag van de ruit en laat de blikken bier haast uit hun omklemming glippen wanneer ik Jan Byttebier herken. Ik druk de flank van mijn hoofd tegen het uitstalraam aan en zie hem de straat oversteken. Hij lijkt recht op Marianne af te stevenen. Wanneer hij op haar hoogte is, houdt hij halt en spreekt haar aan. Marianne reageert geagiteerd en maakt een hoop armgebaren. Ze lijkt niet in haar schik te zijn met zijn aanwezigheid. Ze kijkt enkele keren schuw om zich heen. Zelf blijf ik als versteend staan toekijken tot Jan zich in beweging zet en verder gaat. Wanneer ik even later de winkel verlaat, zit Marianne weer moederziel alleen op de bank en lijkt het alsof er niets is gebeurd. Ik loop met afgemeten passen op haar toe en houd haar een biertje voor.   “Thanks,” zegt ze. Ze wil het pilsje van me overnemen, maar ik laat het niet los. Ze kijkt me verbaasd aan en bemerkt mijn wantrouwige blik.   “Wat is er?” vraagt ze   “Wie was dat?” zeg ik.   “Wie?” Ze doet haar best om verbaasd te ogen.   “Die man.”   “Welke man?”   “Die hier net bij jou stond.” Er tekent zich een diepe frons af op haar voorhoofd. “Wat heb je het over?” zegt ze. “Er heeft helemaal geen man bij me gestaan.”   “Lieg niet. Ik heb hem zelf gezien. Hij stond hier!” Ik wijs de plek aan, vlak naast me. Ze kijkt me aan met een klaar zittend lachje.   “Zit je me nou voor de gek te houden?” vraagt ze. Ik voel mijn bloed beginnen te kolken. Ik kan niet begrijpen hoe ze zo staalhard kan zitten liegen en er dan nog lacherig over wil doen. Trouwens, de waarheid moet nu maar eens aan het licht komen. Als zij en Jan elkaar kennen, waarom mag ik dat dan niet weten? Wat hebben ze te verbergen?   “Het was Jan, hé?” zeg ik.   “Welke Jan? Toch niet die… Boris, asjeblieft… begin nou niet weer over die man! Ik kén hem niet. Hoe vaak moet ik je dat nog zeggen?!” Haar halsstarrigheid doet mijn stoppen doorslaan.   “Godverdomme! Als je me nu niet onmiddellijk de waarheid vertelt, ga ik weg en kom nooit meer terug,” schreeuw ik. Mijn stem slaat door als deze van een twaalfjarige jongen die de baard in de keel begint te krijgen. Marianne kijkt me overdonderd aan. Even lijkt ze niet te weten hoe te reageren, maar uiteindelijk slaakt ze een honende lach.   “Stel je toch niet zo aan!” zegt ze.   “Ik stel me niet aan! Ik wil de waarheid horen, nu!” schreeuw ik.   “Maar er stond niemand bij me.”   “De waarheid, Marianne!”   “Boris…”   “De waarheid!” Ik schreeuw mijn stem schor. Ze heeft er nu duidelijk genoeg van. Als in slow motion komt ze overeind en komt vlak voor me staan, met haar neus haast tegen de mijne. Ze klemt haar hand om mijn arm. Haar vingers persen zich in mijn vel.   “Wil jij de waarheid horen, Boris?” gooit ze me in het gezicht? “Wel ik zal het je zeggen. Weet je wat de waarheid is? Dat jij niet goed bij je hoofd bent! Jij ziet dingen die er niet zijn en daar maak ik me ernstig zorgen over. Misschien moet je maar eens een psychiater raadplegen!” Haar woorden kerven in mijn ziel als scheermessen. In een impuls diep ik een kwak spuug op uit mijn keel en mik deze recht in haar gezicht. In een reactie geeft ze me zo’n gemene klap op mijn wang dat ik mijn hersenen voel schudden. Een secondelang sta ik haar perplex aan te kijken. Dan keil ik mijn biertje naast haar in de struiken, draai me om en loop met grote passen van haar weg. Eerder verschenen: Tot ziens, Marianne (deel 1) https://yoo.rs/r/19942 Tot ziens, Marianne (deel 2) https://yoo.rs/r/20235 Tot ziens, Marianne (deel 3) https://yoo.rs/r/20543 Tot ziens, Marianne (deel 4) https://yoo.rs/r/20799 Tot ziens, Marianne (deel 5) https://yoo.rs/r/20972 Tot ziens, Marianne (deel 6) https://yoo.rs/r/21293 Tot ziens, Marianne (deel 7) https://yoo.rs/r/21538 Tot ziens, Marianne (deel 8) https://yoo.rs/r/22028 Tot ziens, Marianne (deel 9) https://yoo.rs/r/22211 Tot ziens, Marianne (deel 10) https://yoo.rs/r/22465 Tot ziens, Marianne (deel 11) https://yoo.rs/r/22721 Tot ziens, Marianne (deel 12) https://yoo.rs/r/23021 Tot ziens, Marianne (deel 13) https://yoo.rs/r/23587 Tot ziens, Marianne (deel 14) http://yoo.rs/r/24458 Tot ziens, Marianne (deel 15) http://yoo.rs/r/26402

#Roman
02Jul2016
Tot ziens, Marianne (deel 15)
Lou Geluyckens

Tegen de tijd dat Marianne thuiskomt, heb ik de fotoalbums weer netjes weggeborgen. Ik zit op de bank en veer overeind wanneer ze binnenkomt. Ik tracht niets te laten merken van het wantrouwen dat in me woekert. Ik weet niet hoe ik het aan boord moet leggen om haar met mijn ontdekking te confronteren. Dus stel ik het liever nog even uit. “Hey, lieverd! Hoe was je dag?” vraagt ze. Ze omhelst me alsof we elkaar een eeuwigheid niet hebben gezien. Met haar zweterige lijf plakt ze zich tegen me aan. Ik weet niet of ze vanmorgen parfum heeft aangebracht, maar zo ja, dan is het spul uitgewerkt. Er dringt zich een penetrante zweetgeur aan me op. Na wel een minuut maakt ze zich van me los en bekijkt me onderzoekend. “Heb je een leuke dag gehad?” vraagt ze. “Gaat wel,” zeg ik. Ik denk dat ik er prima in slaag mijn onrust te verbergen, maar ofwel schiet mijn acteertalent tekort, ofwel staan haar tentakels op scherp. Ze voelt dadelijk dat er wat schort. “Boris? Wat is er?” vraagt ze, me aankijkend zoals alleen zij dat kan, met priemende ogen die tot diep in mijn ziel lijken te boren. “Niks,” zeg ik. “Waarom staan je ogen dan zo raar?” Zonder er erg in te hebben, werp ik een blik in de spiegel die naast me aan de muur hangt. Ik zie mijn bleke kop zich inspannen om achteloosheid voor te wenden. Zodra ik dat merk, voel ik me ongemakkelijk worden en loop ik rood aan. Meteen sluipt er argwaan in haar blik. “Boris! Wat scheelt er?” dringt ze aan. “Ik heb liever dat je ’t rechtuit tegen me zegt als je ergens mee zit.” Ze blijft me aanstaren met die mooie blauwe ogen die me doorboren als laserstralen. Ik tracht verbazing voor te wenden, maar voel mijn wangen gloeien. Een goede acteur ben ik nooit geweest. Ook thuis viel ik altijd meteen door de mand. Als ik wat had mispeuterd en vader of moeder me het vuur aan de schenen legden, slaagde ik er nooit in mijn onschuld langer dan een halve minuut vol te houden. Ook nu voel ik mijn vastberadenheid dadelijk aan het wankelen gaan. “Kom op, vertel het me,” dringt ze aan. “Wat scheelt er?” Ze neemt me bij de arm en laat me niet meer los. “Heb jij ooit een vaste relatie gehad?” hoor ik mezelf vragen. Haar voorhoofdsspieren spannen zich op, waardoor tussen haar wenkbrauwen een diepe verticale rimpel wordt gevormd. “Waarom wil je dat weten?” vraagt ze. “Gewoon… ik vroeg het me af.” “Wat bedoel je precies met een vaste relatie? Of ik ooit verloofd ben geweest?” “Of gehuwd.” “Nou, daar kan ik dan duidelijk over zijn: geen van beiden. Maar als je me vraagt of ik de hele tijd single ben geweest… dat natuurlijk ook niet. Ik heb wel enkele mannen gekend, de ene al wat langer dan de andere. Maar tot een duurzame relatie is het nooit gekomen.” “Waarom niet?” vraag ik. “Kijk eens,” zegt ze, “om tot een duurzame relatie te komen moet je de ideale man vinden. En om de ideale man te vinden, moet je geluk hebben. Verdomd veel geluk. Nou, dat geluk heb ik nog niet gehad. Klaar.” Ze veegt denkbeeldige stofjes van de tafel. “Was Jan dan niet de juiste persoon?” vraag ik. Mijn ogen peilen naar haar reactie. Ik verwacht dat ze zal schrikken, of op z’n minst blijk zal geven van ongemakkelijkheid. Maar daar is niets van aan. Ze kijkt me aan met een guitige blik en vraagt: “Welke Jan? Jan de mosselman?” Haar antwoord wordt gevolgd door een oorverdovende lach, waarbij ze haar hoofd in haar nek gooit. Ik dek mijn oren af met mijn handen en verbijt mijn ergernis. Wanneer ze merkt dat ik niet gediend ben van haar grap, houdt ze abrupt op met lachen en kijkt me monsterend aan. Bezorgd, lijkt het wel. “Boris, wat is er nou met je?” vraagt ze. “Wat is er aan de hand?” “Waarom antwoord je niet op mijn vraag?” wil ik weten. “Welke vraag?” “Of Jan niet de juiste was.” “Maar welke Jan bedoel je dan?” “Jan Byttebier.” “Jan Bitterbier? Wie is dat?” “Byttebier!” verbeter ik haar kribbig. “Hè, doe nou toch niet zo vervelend. Wie is Jan Byttebier? Hoor ik die man te kennen?” “Ik dacht het wel.” “Hoe dan?” “Komaan, zeg, geef het toch gewoon toe!” “Maar wat wil je dan dat ik toegeef, Boris?” Ze gooit haar beide handen in de lucht. “Godallemachtig! Wat is dit? Waar stuur je nou op aan? Zeg het me! Hoe kan ik toegeven een man te kennen waarvan ik tot een minuut geleden het bestaan niet afwist?!” “Hoe verklaar je dan dat ik jullie samen op een foto heb gezien?” gooi ik eruit. Mijn woorden slaan in als een bom. De klanken die uit haar luchtpijp opborrelen, sterven op haar lippen, terwijl ze me verbijsterd aankijkt. Ik voel een zekere trots in me opwellen. In een dispuut delf ik meestal het onderspit, maar deze keer niet. Dat ik er in slaag haar in het nauw te drijven, maakt een gevoel van triomf in me los. Maar dat gevoel krijgt meteen een knauw wanneer ze streng, en met voor de borst gevouwen armen opmerkt: “Zo! Heb jij tussen mijn foto’s zitten neuzen?” Ik voel me betrapt en ben niet zo bijdehand als zij. Waar zij zich als een rat met één welgemikte sprong uit het nauw weet te bevrijden, ben ik eerder een wezel die in een hoekje kruipt. Ik zie geen andere mogelijkheid dan toe te geven dat ik heb zitten rondneuzen. “Nou, dan moet je me deze Bitterbier maar eens aanwijzen,” zegt ze op een manier die er geen twijfel over laat bestaan dat ze “not amused” is. “Wil jij de albums even halen? Ik neem aan dat je weet waar je ze kunt vinden.” Met haar sarcasme weet ze mijn laatste restje zelfvertrouwen feilloos aan flarden te hakken. Ze laat zich met een plof op de bank vallen en slaat haar armen en benen afwachten over elkaar. Ik slof naar de commode, als een tot de galg veroordeelde moordenaar die zelf zijn touw moet strikken, haal de albums tevoorschijn en leg de hele stapel voor haar op het lage salontafeltje. Ik zet me naast haar op de bank, maar laat een ruimte van wel dertig centimeter tussen ons. Een veiligheidsmarge. Ik vis het album waarin ik de bewuste foto heb aangetroffen uit de stapel en leg het op mijn schoot. Terwijl ik één na één de bladen omsla, kijkt Marianne zijdelings mee. Ze helt daarvoor lichtjes over in mijn richting, wat ik aanvoel als een dreiging. Zodra ik de bewuste foto aantref, draai ik het album naar haar toe en wijs Jan Byttebier aan. Ze buigt zich over het album en kijkt nauwlettend toe, alsof ze op een oude klasfoto een vergeten schoolvriendinnetje tracht te herkennen. “Who the hell is that?” hoor ik haar murmelen. Ze knijpt haar ogen tot spleetjes om haar blik te verscherpen en richt zich dan plots op. “O, yeah! I remember that bloke!” zegt ze. Het klinkt zo ongecompliceerd dat het me in de war brengt. Ik had verwacht dat ze overdonderd zou zijn door het bewijs. Dat ze schoorvoetend zou dienen toe te geven dat ze Jan Byttebier kende. In plaats daarvan lijkt ze opgelucht te zijn. “Deze man ken ik inderdaad,” knikt ze overtuigend. “Met hem heb ik een eeuwigheid geleden een kortstondige relatie gehad. Nou, ja, een ‘relatie’… dat is wel een heel beladen woord voor een wat lang uitgevallen one night stand. Ik denk dat we een keer of twee de lakens hebben gedeeld. Hooguit drie. Ik had hem ontmoet op een huwelijksfeest. Ik voelde me die avond erg alleen. Al mijn vriendinnen hadden een vriendje. Eén was al gehuwd, een tweede trouwde die avond. Ik was de enige van het kransje vriendinnen die nog geen relatie had gehad. Ik voelde me een beetje down...” Ze kijkt naar de foto en wijst op Jan. “Maar toen zag ik hem plots komen binnenwandelen, rustig, als een cowboy in een saloon. Hij liet zijn blik rondgaan en kwam, zodra hij me had gespot, recht op me toegestapt. Ik zat hem gebiologeerd aan te kijken. Ik vond hem niet aantrekkelijk, maar hij had iets dat me intrigeerde. Misschien was het zijn outfit – hij was zowat de enige die geen pak aanhad – misschien zijn blik, ik weet het niet.” Ze kijkt dromerig voor zich uit, alsof ze het allemaal even terug beleeft. Ik wacht. Na een paar seconden gaat ze verder. “Hij kwam naast me zitten. ‘Hi’, zei hij. Ik dacht dat hij familie was van de bruid of de bruidegom. Wist ik veel. Dat leek me logisch. Maar hij fluisterde me toe dat hij niks met de zaak te maken had. Hij verklapte me dat hij geregeld op huwelijksfeesten binnenliep omdat daar gratis drank te krijgen was en er zelden iemand wantrouwig was, omdat iedereen er sowieso van uitgaat dat je bij de andere familie behoort. Dat vond ik hilarisch! Je moet maar op het idee komen! En het dan ook nog eens durven uit te voeren. Ik bewonderde zijn lef. Nou… om een lang verhaal kort te maken… wellicht meer omdat de drank en mijn hunker naar een vriendje me minder kieskeurig maakten, dan dat ik dacht dat hij de ware wel eens kon zijn… én omdat ik geen zin had om die nacht alweer alleen te slapen, vroeg ik hem na afloop van het feest of hij zin had om mee naar mijn flat te gaan. Het laat zich raden dat hij zich dat geen twee keer liet vragen. Welke man zou zo’n aanbod afslaan? Nou… we deelden die nacht de lakens. Ik voelde me er gewéldig bij. Eindelijk had ik ook een vriend en hoefde ik niet meer met rode wangen van jaloezie het gepoch van mijn vriendinnen te aanhoren. Dácht ik. Helaas… toen ik ’s anderendaags wakker werd en hem naast me in mijn bed zag liggen, werd mijn droom meteen aan flarden geslagen. Hij lag met open mond te kwijlen. Het hele hoofdkussen was doorweekt. Bovendien zweette hij als een rund en stonk hij uit zijn bek en al zijn poriën. Ik was vies van hem en hopte gauw het bed uit, voor hij zich misschien weer op mij wilde storten. Toen hij wat later wakker werd, had ik me al gedoucht en zat ik aangekleed op de bank. Ik trachtte me van hem af te maken, maar dat lukte niet. Het was zondag en blijkbaar had ik hem verteld dat ik van de hele dag niets te doen had. Hij bleef de hele dag op mijn flat. En alsof dat niet erg genoeg was, bleef hij de volgende nacht ook nog eens slapen. Hij wilde met me vrijen. Ik walgde van hem, maar liet hem begaan. Ik durfde niet te weigeren, maar voelde me zo vies… Pas de volgende dag kreeg ik hem de deur uit. Maar enkele dagen later stond hij hier opnieuw. Toen heb ik hem rechtuit gezegd dat onze relatie geen toekomst had. Hij leek het te begrijpen en droop af. Maar de volgende maanden bleef hij me stalken. Met brieven. En soms stond hij me beneden aan de deur op te wachten. Ik heb hem nooit meer binnengelaten. Na een tijdje is het gestopt, omdat hij naar Brisbane verhuisde. Niks te vroeg...” Plots kijkt ze me strak aan. “Maar wat heeft deze gozer met jouw Bitterbier te maken?” vraagt ze. “Dit IS Jan Byttebier,” zeg ik afgemeten. Ze kijkt me diep in de ogen, als om te peilen of ik ernstig ben, en barst dan in lachen uit. “Welnee, gekkerd!” hinnikt ze. “Dit is Davy! Davy Matthews.” Ik bekijk haar argwanend. “Wat? Geloof je me niet?” “Ik zeg je dat dit Jan Byttebier is,” herhaal ik. “Maar nee! Waar haal je dat nou? Dit is Davy Matthews! Ik heb zijn brieven nog ergens liggen. Ik kan ze je laten zien als je wilt.” Ze staat op en begeeft zich naar de commode. Even later komt ze aanzetten met een stapeltje handgeschreven brieven. Ze steekt ze me toe. Ik lees diagonaal enkele flarden van zinnen. Een hoop klagelijk gefleem dat ik niet in overeenstemming kan brengen met de attitude van de wereldse Jan Byttebier. Vreemd dat hij zich zo zou hebben laten gaan. Maar verliefdheid doet rare dingen met een mens, heb ik van horen zeggen. Ik kijk onderaan de brief en kan uit de handtekening duidelijk de naam Dave Matthews opmaken. Ze heeft dus niet gelogen. Maar de kans bestaat nog wel dat Jan zich van een pseudoniem heeft bediend. “Ben je overtuigd?” vraagt ze. “Wie zegt dat Davy Matthews zijn echte naam was?” werp ik op. Ze kijkt me even vol ongeloof aan en lacht dan haar huig bloot. “Lieve Boris, wat ben jij toch een vreemde jongen,” hinnikt ze. “Waarom zou Davy zich van een valse naam bedienen? Dat is toch al te gek!” Ze ziet dat ik mij niet laat overtuigen en komt vlak tegen me aanzitten. Ze plakt zich haast aan me. Ik vind het vervelend, want ze stinkt nog steeds naar zweet, maar durf niet op te schuiven. Wel merk ik dat ze plots heel lief is en stiller gaat praten. Als een psycholoog tegen een patiënt die een voorzichtige aanpak vereist. “Laat ons nou eens even alles op een rijtje zetten,” zegt ze, “zodat we dit misverstand kunnen uitklaren. Jij denkt dus dat de man op de foto Jan Bitterbier is?” “Byttebier!” verbeter ik haar kribbig. “Oké, Byttebier. Waarom denk je dat dat zo is? “Omdat...” “Ja?” “Omdat hij hetzelfde krulhaar heeft, dezelfde sik, dezelfde oogopslag…” “Oké,” zegt ze rustig. “Maar die Bitterbier… is hij een Belg?” “Tuurlijk.” “Dat weet je zeker? Sprak hij Engels met je of Nederlands?” “Nederlands.” “Vloeiend? Zonder accent?” Ik tracht me de stem van Jan voor de geest te halen. Sprak hij met een accent? Niet voor zover ik me kan herinneren. Hij leek me een native speaker te zijn. Had zelfs een Antwerpse tongval, naar ik meen. “Zonder accent.” zeg ik. “Nou… dan weet ik wel zeker dat je met een lookalike te maken moet hebben gehad,” verzekert ze me. “Davy Matthews is namelijk zo Australisch als een kangoeroe!” Ze lacht haar schaterende lach. Ik staar voor me uit, niet wetende wat ik moet denken. Ik weet niet meer wie ik moet geloven… mezelf of haar. “Lieve Boris,” zegt ze. Ze streelt me teder over mijn haren. Ik trek mijn hoofd weg, maar doe dit minder beslist dan normaal. De twijfel heeft me in zijn macht. Stel dat ze gelijk heeft. Dat er inderdaad een dubbelganger van Jan rondloopt in Sydney, dat ik al de hele tijd achter de verkeerde man loop aan te hollen! Het zou verklaren waarom hij telkens de benen neemt. Maar wie was dan de man die bij mijn vertrek in de luchthaven naar me stond te wuiven? Ik weet niet meer wat ik moet denken. Ben ik gek aan het worden? Was ik te dronken toen ik met Jan aan de bar zat? Of ben ik het slachtoffer van een sadistisch spel? Ik voel de ogen van Marianne op me branden en kijk haar aan. Wat schuilt er in haar blik? Oprechtheid of cynisme? Het ene moment geloof ik rotsvast in haar eerlijkheid, het volgende moment word ik lamgeslagen door wantrouwen. IK WEET HET NIET MEER! “Gaat het?” vraagt ze. Ik kijk haar star aan en antwoord niet. Ze neemt mijn hand tussen de hare en wrijft zachtjes over de rug. “Wil je wat meer over die Jan Bitterbier vertellen?” vraagt ze. “Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat hij érg belangrijk voor je is.” Ik kijk haar wantrouwig aan. Waarom vraagt ze dat? Welk belang heeft ze erbij dat ik over hem vertel? Schiet ze er iets mee op? Of ik? Ze merkt dat ik aarzel en vraagt: “Waar en wanneer heb je hem ontmoet?” Ik blijf me hullen in stilzwijgen, maar ze houdt niet af. Terwijl ze onophoudelijk over de rug van mijn hand streelt om me te bedaren, blijft ze me aanmoedigen om haar over Jan te vertellen. En plots borrelen de woorden in me op. “Ik heb hem ontmoet op mijn afscheidsborrel,” begin ik aarzelend. De eerste zin komt nog moeizaam, maar langzaam raak ik op gang. “De jongens die ik had uitgenodigd op mijn drink moesten allemaal elders zijn die avond,” ga ik verder. “Enkel mijn ouders daagden op, maar daar had ik geen zin in. Ze kwamen zich toch maar verkneukelen in mijn ellende. Toen ze weer weg waren, sprak hij me aan. Hij zat al een hele tijd aan de toog en had gemerkt dat ik me ellendig voelde. Ik vond hem eerst een beetje raar. Vreemd uiterlijk en zo. Maar hij was zo vriendelijk en begripvol dat het al na een paar minuten aanvoelde alsof ik hem al jaren kende. We hebben urenlang gepraat. Bleek dat hij al tientallen keren in Australië was geweest. Hij kon er heel wat over vertellen. Deed dat ook. En hij gaf me goede raad. Later op de avond - ’s nachts eigenlijk - toen het café zijn deuren sloot, zijn onze wegen gescheiden. Ik ben naar huis gegaan. Ik liep op wolkjes. Voor het eerst in mijn leven had ik het gevoel dat ik naar waarde werd geschat; dat ik een vriend had. Dat was nieuw voor me. Ik had nooit vriendjes. Zelfs op school slaagde ik er nooit in aansluiting te vinden bij andere jongens. Ik stond altijd alleen op de speelplaats, terwijl de andere jongens zich amuseerden. Soms was ik het mikpunt van hun spot.” Ik stok en staar met doffe blik in een ver verleden. “En met Jan dacht je een vriend te hebben gevonden?” hoor ik Marianne vragen. Ik kom langzaam weer tot mezelf en knik bevestigend. “Ja,” zeg ik. “Dat dacht ik, al voelde ik de volgende morgen al twijfel knagen. Ik vroeg me af of ik Jan ooit nog zou zien. We hadden nagelaten gegevens uit te wisselen. Ik wist niet waar ik hem kon vinden. En hij beschikte niet over mijn adres of telefoonnummer. Ik begon te vrezen dat het verloren was… tot ik hem in de luchthaven plots zag staan. Hij zwaaide met zijn hand en leek me iets te willen zeggen. Ik wilde niet dat moeder ons samen zag, omdat ze zich anders weer wat in het hoofd zou halen, en zei haar dat ik moest plassen. Ik stond op en liep naar hem toe. Maar vreemd genoeg was hij, voor ik ter plaatse kwam, plots weer verdwenen. Ik vond hem nergens meer. Hij leek in rook te zijn opgegaan. Pas toen ik een halfuur later de douane was gepasseerd, zag ik hem weer. Opnieuw zwaaide hij met zijn hand. Maar toen kon ik niet meer naar hem toe gaan. Ik kon niet meer terug. Wat later in het vliegtuig meende ik hem een derde keer te zien. Maar toen bleek het om een andere man te gaan. Nadien kreeg ik nog een paar sms-jes, waarvan ik vermoed dat ze van hem kwamen, maar waar ik niet uit kon opmaken wat de bedoeling ervan was. Daarna werd het stil. Tot ik hem dágen later terugzag, hier in Sydney. Niet één keer, maar verscheidene keren. Het vreemde was wel dat hij geen contact met me wilde. Iedere keer trachtte ik tot bij hem te komen, maar telkens was hij me te snel af. Hij liep weg en wist me elke keer te ontglippen…” Ik stok. Het voelt alsof er een prop in mijn keel zit. Ik krijg geen woord meer over mijn lippen. Marianne heeft ademloos zitten luisteren naar mijn verhaal en kijkt me op een bijzondere manier aan. Met een zekere tederheid, denk ik, maar net zo goed kan het medelijden zijn. Ze strijkt met haar hand over mijn haren. Ik laat haar begaan. Voor één keer trek ik mijn hoofd niet weg. “Kijk eens, Boris,” zegt ze met zachte stem, “ik zie dat je het moeilijk hebt. En dat begrijp ik. Iedereen draagt een stuk van zijn jeugd mee in zijn verdere leven. Bij de ene is dat een licht boodschappentasje, bij de andere een zware rugtas. Naar het zich laat aanzien, zit jij in de laatste categorie. Ik heb al de hele tijd de indruk dat je je bezwaard voelt door je jeugd. Je bent op zoek. Naar jezelf. Naar erkenning. Naar een plaats in deze wereld. Je bent erop gebrand je een plekje toe te eigenen. Dat plekje hoeft geen fysieke plaats te zijn. Daarmee bedoel ik dat je belangrijk wilt worden gevonden. Je wilt iemand zijn. Niet het kind van ouders die alle beslissingen voor jou nemen. Niet de snotaap die op de speelplaats zielig staat te wezen. Niet de jongen die in het café tevergeefs op zijn zogenaamde vrienden zit te wachten. Niet de jongeman die moederziel alleen op de trappen van het Opera House zit weg te kwijnen. Niet de kerel die in een overvolle slaapzaal als een grote onbekende tussen een hoop vlotte kerels met wijd open ogen ligt te piekeren. Je bent in volle gevecht om je een plek in de wereld te zoeken. En een eerste vorm van erkenning heb je bij Jan gevonden. Dat was goed. Maar Jan is er nu niet meer voor je. In tweede instantie heb je bij mij erkenning gevonden. Daarom ook dat je blijft komen, want eigenlijk ben ik te oud voor je, dat besef ik zelf ook wel, en ik weet dat het je parten speelt. Maar ik heb aandacht voor je. De juiste aandacht. Dat is belangrijk. Dat heb je nodig om jezelf te vinden. En ik weet dat je het waardeert. Ik hoop uit de grond van mijn hart dat wat wij hebben je op termijn helpt om uit te groeien tot een zelfbewuste man.” “Ja… “ zucht ik. Ze kijkt me aan. “Gaat het nou al wet beter?’ vraagt ze. Ik schraap mijn keel. “Die Davy… woont die in Sydney?” vraag ik. Ze laat mijn hand los en slaakt een diepe zucht. “Kijk, Boris… het laatste wat ik van Davy Matthews heb vernomen, is dat hij naar Brisbane is verhuisd, alweer een jaar of vijftien geleden, en ik heb geen idee waar ie ondertussen uithangt.” “Zou het kunnen dat hij teruggekomen is naar Sydney?” “Geen idéé. En het kan me ook niet schelen. Ik vond het een akelige man.” Ze keert zich van me af en schikt haar rok, als een bruid die voor het altaar plaatsneemt en zich wil verzekeren dat haar jurk goed zit. Ik grijp terug naar het fotoalbum, dat opengeslagen op de salontafel ligt, en bekijk Davy Matthews. De gelijkenis met Jan is treffend… hoewel… dat ene oog… die wenkbrauw… ze wipt misschien net iets minder hoog op dan deze van Jan. En zijn sik is kleiner. Niet de grootte van een veldmuis, maar een plukje onderaan zijn lip. En zijn oorlellen staan minder ver uit. En hij draagt geen zilveren kruis in zijn borsthaar… ©photosuus instagram.com/suusb2b/ Ik wrijf met de muis van mijn hand over mijn voorhoofd als om mijn hersencellen te activeren. Marianne neemt intussen een ander album van de stapel en slaat het open. “Wat vind je eigenlijk van mijn ouders?” vraagt ze. Ze draait het album naar me toe en wijst op een foto waar ze beiden opstaan. “Op wie lijk ik het meest? Op mum of dad?” Ik haal mijn schouders op. “They were such fantastic people,” verzucht ze. Haar ogen gaan plots dromerig staan en ze slikt een krop weg. “Ik was graag eens een keer naar Nederland gegaan,” zegt ze. “Mum liep al een tijdje met de idee rond om de familie te bezoeken… maar toen is dat ongeluk gebeurd…” Ze slaat met haar vuist in haar handpalm. “Fucking klote-ongeluk! Dad had net een nieuwe auto gekocht. Nou ja, nieuw… een tweedehands. Deed ie altijd. Aan een nieuwe auto kon hij zijn geld niet geven, zei hij. Nou, dat had ie die keer beter wel gedaan. Tijdens hun eerste rit met die tweedehands brak de stuurkolom af, net toen ze een overweg overreden. Ze kwamen met een klap tot stilstand tegen een paal, óp de sporen. En natuurlijk gingen net op dat moment de slagbomen dicht. Ze hebben zich niet meer uit de auto kunnen bevrijden. De trein is met een rotvaart op hen ingereden...” Ze staat op en loopt een paar passen van me vandaan, alsof ze wil wegrennen van de herinnering aan de tijd van het ongeluk. Ik zit haar onwennig aan te staren. Ik weet niet wat te doen. Plots keert ze zich naar me om. “Pak me eens vast,” zegt ze. Ze steekt haar armen reikend naar me uit. Ik sta op en loop op haar toe. Ze komt tegen me aan staan. Ik voel me onwennig en weet niet waar ik met mijn armen moet blijven. Ik ben geen kei in troosten. “Boris, pak me vast,” zegt ze, naar me opkijkend. Er wemelt traanvocht in haar ogen. Ik sla mijn armen om haar heen. Ze drukt zich met kracht tegen me aan, waardoor ik mijn evenwicht verlies en me achter mijn rug aan de tafel staande dien te houden. Terwijl ik met kop en schouders boven haar uit steek, voel ik dat haar hele lichaam begint te schokken. Ik hef mijn hand en streel haar zachtjes over haar blonde haren. Ze richt haar hoofd op en kijkt me teder aan. De tranen lopen haar over de wangen. Het is hartverscheurend te zien hoe ze vergaat van verdriet, zoveel jaren na de dood van haar ouders. Ik tracht me voor te stellen hoe ik me zou voelen indien vader en moeder op een dag van me zouden worden weggerukt. In één seconde. Zoals het bij haar is gegaan. Ik kan mijn ouders vervelend vinden. Ik kan ze minachten, haten, zelfs dood wensen, maar het blijven mijn ouders. De mensen die me hebben verwekt, al dan niet met liefde. Ze zijn wie ze zijn: saaie, oninteressante, gefrustreerde, op zichzelf gerichte mensen. Ze gaan fout met me om, weten niet hoe ze me moeten behandelen. Maar ik ben zeker dat ze mij niet opzettelijk schade willen berokkenen. Dat kán toch niet hun bedoeling zijn. Iedereen wil toch het beste voor zijn kind. Terwijl ik die overweging sta te maken, voel ik plots ook tranen in me opwellen. Ik tracht ze te bedwingen, maar het lukt me niet. Als een etterbuil die openspat, zoeken mijn jarenlang opgekropte frustraties en verdriet zich een weg naar buiten. De tranen spuiten uit mijn ogen en het snot uit mijn neus. Huilend als een kind, klamp ik me aan Marianne vast. Onze tranen vermengen zich met elkaar en drijven ons nog dichter naar elkaar toe. Eerder verschenen: Tot ziens, Marianne (deel 1) https://yoo.rs/r/19942 Tot ziens, Marianne (deel 2) https://yoo.rs/r/20235 Tot ziens, Marianne (deel 3) https://yoo.rs/r/20543 Tot ziens, Marianne (deel 4) https://yoo.rs/r/20799 Tot ziens, Marianne (deel 5) https://yoo.rs/r/20972 Tot ziens, Marianne (deel 6) https://yoo.rs/r/21293 Tot ziens, Marianne (deel 7) https://yoo.rs/r/21538 Tot ziens, Marianne (deel 8) https://yoo.rs/r/22028 Tot ziens, Marianne (deel 9) https://yoo.rs/r/22211 Tot ziens, Marianne (deel 10) https://yoo.rs/r/22465 Tot ziens, Marianne (deel 11) https://yoo.rs/r/22721 Tot ziens, Marianne (deel 12) https://yoo.rs/r/23021 Tot ziens, Marianne (deel 13) https://yoo.rs/r/23587 Tot ziens, Marianne (deel 14) http://yoo.rs/r/24458

#Roman
16Jun2016
Tot ziens, Marianne (deel 14)
Lou Geluyckens

Bij aankomst in de flat staat me een verrassing te wachten. Tijdens onze wandeling heeft ze er met geen woord over gerept, maar voor we het appartement betreden, keert Marianne zich naar me om en vraagt of ik klaar ben voor een “surprise”. Ik kijk vreemd op. Alweer? Vorige keer had ze een telefoon voor me gekocht. Wat zal het deze keer zijn? Ze opent de deur en laat me voorgaan. Ik betreed de ruimte als een kind op de ochtend van Sinterklaas: met speurende blik en een hart vol verwachting. Op de salontafel ligt een laptop. Mijn laptop. Mijn hart springt op en ik kijk haar blij verrast aan. Op mijn vraag hoe ze in het bezit is gekomen van mijn computer, antwoordt ze dat ze hem voor de deur vond staan toen ze thuiskwam. Boven! Voor de deur van haar flat! Ik vind het vreemd dat iemand een laptop onbeheerd achterlaat aan de deur van een flat, terwijl de bewoner afwezig is. Dat zou ik zelf nooit doen. Maar als ik er aan denk hoe het me op de luchthaven is vergaan toen ik mijn portefeuille kwijt was… In Australië is blijkbaar alles mogelijk. Ik zet me neer op de bank, leg de laptop op mijn schoot en zet hem aan. In mijn mailbox tref ik 31 berichten aan, zonder uitzondering van moeder. Helaas is ze er weer in geslaagd alles verkeerd te doen. Nergens heeft ze een onderwerp ingevuld. En in geen enkele mail vind ik ook maar één woord terug. Het ene na het andere bericht is leeg. Hoe doet ze het toch?! Ik klap mijn laptop weer dicht en leg hem op de salontafel. Als ik eerlijk ben met mezelf moet ik toegeven dat ik een lichte teleurstelling ervaar. Ergens mis ik vader en moeder toch wel een beetje en ik had gehoopt wat nieuws van hen te krijgen. Marianne, die haar tentakels weer op scherp heeft staan, komt naast me zitten en kijkt me onderzoekend aan. “Geen nieuws van het thuisfront?” vraagt ze. Ik schud het hoofd. “En dat vind je jammer?” Ik knik vaag. “Nou, stuur dan zelf even een mail naar je ouders,” suggereert ze. “Ik weet niet of dat zin heeft,” doe ik smalend. Ik vertel haar van de 31 mails van moeder die stuk voor stuk leeg zijn. “Je hebt geen idee hoe vaak ik het haar heb uitgelegd,” zeg ik. “Keer op keer heb ik voorgedaan hoe ze een mail moet schrijven en opsturen. Het lukt haar gewoon niet! En een bericht openen evenmin.” “En je vader?” Ik slaak een honende lach. “Die is nog erger. Die weigert gewoon een computer te gebruiken. Als hij een brief moet schrijven, doet hij dat nog steeds met een ouwerwetse schrijfmachine.” “En je broers en zussen?” Ik zeg haar dat mijn zussen niet eens een e-mailadres hebben. Dat de ene in een instelling verblijft omdat ze een ernstige psychische aandoening heeft, en de andere in een caravan woont te midden van de bossen, omdat ze één wil zijn met de natuur. “Een soort van heks?” vraagt Marianne. “Zoiets,” knik ik. “En je broers?” houdt ze vol. Ik zeg haar dat Bob, mijn oudste broer, de enige is waarvan ik weet dat hij thuis een computer heeft staan, zo’n oude bak met een besturingssysteem uit de vorige eeuw. “Nou, stuur hem dan een mail,” zegt ze. Ze merkt aan mijn gezicht dat ik die gedachte niet genegen ben. “Wat?” doet ze. Ik haal mijn schouders op en verzekeren haar dat het geen zin heeft. Ze wil weten waarom. Ik vertel haar dat Bob nooit naar me heeft omgekeken, dat ik voor hem het kleine kuiken blijf dat in de weg is komen lopen. Het lelijke eendje. De nestbevuiler. “Dat kan allemaal best zijn,” zegt ze, “Maar dan is het nou het moment om daar wat aan te doen.” Ze grist de laptop van de tafel en legt hem op haar schoot. “Kom op. Ik zal je helpen. Zeg me wat ik moet typen.” Ze houdt haar vingers in de aanslag boven het toetsenbord. “Nou?” “Echt… ik zou niet weten wat ik Bob zou moeten vertellen,” verzeker ik haar. “Onzin!” Ze typt en zegt luidop: “Dear Bob...” Daarna kijkt ze me afwachtend aan. Ik maak haar met een schouderophalen duidelijk dat ik geen inspiratie heb. “Hoe gaat het met je?” gaat ze zelf verder. Na het intikken van dat zinnetje kijkt ze me weer aan en vraagt: “Hoe heet zijn vrouw?” “Helena.” Ze typt: “En met Helena?” Ze kijkt weer op. “Heeft ie kinderen?” “Nee.” “Oké. Vertel dan wat over jezelf.” Ik trek een huilerige kop. “Boris, wat is er nou? Doe eens een beetje moeite!” “Maar het heeft geen zin!” “Waarom niet?” “Omdat Bob geen interesse in me heeft!” zeg ik nadrukkelijk. Ik veer overeind en loop geagiteerd door de kamer. Ze volgt me met haar blik, maar laat me begaan. Zodra ze ziet dat ik wat kalmer word, slaat ze met haar hand enkele keren op de bank en wenkt me met haar hoofd. “Kom,” zegt ze. “Kom eens terug naast me zitten.” Ik aarzel even, maar doe wat ze me vraagt. Ze kijkt me aan. “Waarom denk je dat Bob geen interesse in je heeft?” vraagt ze. “Bob, Ben, Bea, Birgit… niemand van mijn broers of zussen heeft interesse in me,” zeg ik. “Is dat zo? En heb je je al eens afgevraagd waaraan dat ligt?” Ze kijkt me indringend aan. “Heb je daar al eens over nagedacht, Boris?” “Ja. Maar ik weet het niet.” “Zal ik het je zeggen? Omdat jij jezelf niet interessant vindt, Boris. Hoe wil je nou dat iemand jou interessant vindt als je dat zelf niet doet? Interesse is iets dat je moet opwekken. Je moet je broers en zussen een aanleiding geven om belang aan je te hechten. Geloof nou toch eens in jezelf. Beschouw jezelf niet als het vijfde wiel aan de wagen. Wees ervan overtuigd dat jouw mening net zo belangrijk is als de hunne en deel ze met hen. Geef hen stof tot nadenken. Bied hen de kans om met jou in discussie te gaan! Wees geen grijze muis, geen papegaai die naar de mond praat. Toon je kleurenpracht en zing je eigen lied. Dus, laat die pathetiek en dat zelfmedelijden nou maar achterwege. Schuif heel dat minderwaardigheidscomplex aan de kant en doe wat je hoort te doen. Je zult zien dat het vanzelf gaat. Kom op! Ik wed dat je gauw zult merken dat je broers en zussen wél interesse in je hebben.” Ik staar naar de tippen van mijn schoenen, als een kind dat een uitbrander heeft gekregen. Marianne zit me afwachtend aan te kijken. “Nou?” “Het gaat niet,” zeg ik. Ze slaakt een zucht. “Oké. Dan doe ik het zelf wel,” zegt ze beslist. Ze legt haar vingers op de toetsen en begint te typen. De volgende minuten verschijnen de woorden in een razend tempo op het scherm. Ze lijkt er zelfs niet over na te hoeven denken wat ze schrijft. Hi Bob, Ik ben Marianne. Ik schrijf je on behalf of your little brother Boris. Sorry dat ik er wat Engels tussengooi, maar ik ben een Australische. Het Nederlands heb ik van mijn moeder. Zij was afkomstig van Hilversum. Zelf ben ik hier geboren en heb het Engels als moedertaal. De laatste tijd heb ik mijn Nederlands wel een beetje kunnen oefenen, want ik heb het geluk gehad jullie broertje te leren kennen: die lieve kleine Boris. Nou ja… klein. What’s in a name! Klein is ie allerminst. Maar wat is ie een leuke knul! En interessant! Ik heb al een hoop lol met hem beleefd. Hij zit hier trouwens naast me op de bank. Wellicht vraag je je nou af waarom hij dan niet zelf een mailtje stuurt, maar dat komt omdat hij zich inbeeldt dat jullie geen interesse in hem hebben. Nou, dat geloof ik dus niet. Volgens mij zijn jullie hartstikke benieuwd naar zijn wedervaren hier. Wel, ik kan jullie zeggen dat hij het hier heerlijk naar zijn zin heeft. Hij heeft een hele leuke job op een prachtig zeilschip, en sinds hij aangekomen is, logeert hij bij mij. De arme drommel wilde zijn intrek nemen in een hostel! Nou, dat heb ik hem mooi afgeraden. Het slaapt heus niet lekker tussen een stelletje houtzagers, neem dat maar van me aan. Ik bood hem aan om op de bank te slapen, maar je weet hoe dat gaat: we ended up in bed. We hebben nou een relatie. Ik ben wel een tikkeltje ouder dan hij - en dat “tikkeltje” mag je gerust met een korrel zout nemen - maar ach… leeftijd en uiterlijk zijn van ondergeschikt belang. Dat weet jij vast ook. Maar genoeg over ons. Hoe gaat het met jullie? Met jou en Helena? Je ziet: Boris heeft me al heel wat over jullie verteld. Misschien weten jullie dat niet - want hij is toch zo vreselijk terughoudend - maar zijn broertjes betekenen heel veel voor hem. Hij beschouwt jullie een beetje als zijn voorbeelden; zijn inspirators. Alleen is het jammer dat hij zich tegelijk een beetje door jullie in de schaduw gesteld voelt. Maar ach, dat is het jonge-broertjessyndroom. Dat mag je hem niet aanrekenen. Maar waar het nou eigenlijk om gaat: Boris wil graag aan zijn ouders laten weten dat alles oké is met hem, maar naar verluidt zijn jullie oudjes niet zo beslagen in het hanteren van een computer. Nou, om die reden had ik jou dus willen verzoeken om die lieve mensen even in te lichten dat alles oké is met hun kakelnest. Zou je dat willen doen? En hen misschien tegelijk ook even inprenten hoe zo’n akelige moderne machine precies werkt. Want Boris zou graag nog eens een keertje met hen skypen. Wil je dat voor me doen? Nou, alvast hartstikke bedankt, hoor! Tot ziens dan maar? Ik mag hopen dat we elkaar eens tegen het lijf lopen. Misschien al één van de volgende maanden, wie weet. Jullie zijn hier altijd welkom. Of misschien kom ik wel eens een keertje naar België. In dat geval kan ik meteen Nederland even aandoen. Ik heb in Hilversum nog wel wat verre neven en nichten wonen. Lijkt me een leuk idee! Nou, we zien wel. Lieve groetjes alvast, Marianne Ze kijkt me aan met een gloed van triomf in haar ogen. “Nou, wat denk je?” Ik ben sprakeloos. Wat ze durft te schrijven! Dat we een relatie hebben! En dat ze misschien wel eens naar België komt! Ik mag er niet aan denken dat moeder te weten komt dat ik met een oudere vrouw te doen heb! “Wat is er nou?” vraagt ze wanneer ze de paniek in mijn ogen bemerkt. “Mag je mama misschien niet weten dat haar kleinste jochie intussen een man is geworden? Als ik jou was, zou ik apetrots zijn!” “Jij kent moeder niet,” zeg ik. “Als ze dit leest, is ze in staat het eerste vliegtuig te nemen om me persoonlijk te komen halen.” Ze lijkt even na te denken en richt dan haar blik op het scherm. Met een even grote vaardigheid als voordien tikt ze een post scriptum in. PS. Boris zit ermee verveeld dat ik heb verklapt dat we een relatie hebben. Hij is bevreesd dat jullie moeder een hartstilstand zal krijgen. Misschien is het beter om dat nieuwtje nog even voor jezelf te houden. Dat begrijp je vast. Ze kijkt me aan. “Zo beter?” Ik knik weifelend. Voor ik nog verder bezwaar kan aanvoeren, drukt ze op verzenden en legt de laptop op mijn schoot. “Zo,” zegt ze. ”Klaar is kees.” Ze staat op en loopt de keuken in. Ik kijk haar na als een ongelovige die net een verschijning heeft gehad. * * * Zoals ik had verwacht, is op mijn mail naar Bob geen reactie gekomen. Doodse stilte aan de andere kant van de lijn, vier dagen lang. Ik heb er geen seconde aan getwijfeld dat het vergeefse moeite zou zijn, maar Marianne wilde per se haar zin doordrukken. Voordeel is dat ze nu heeft kunnen vaststellen dat de situatie hopeloos is. Ze heeft nu medelijden met me. Ze is al een paar dagen uitzonderlijk lief en attent voor me. Vandaag, op mijn eerste vrije dag sinds ik aan de slag ben gegaan op het zeilschip, heeft ze me zelfs aangeboden de dag op haar flat door te brengen terwijl zij uit werken is. Daar was ze voordien als de dood voor. Ik heb het gebaar in dank aanvaard. Dat alles maakt dat we de laatste dagen sterk naar elkaar zijn toegegroeid. Alles welbeschouwd ben ik blij dat ik niet naar Gold Coast ben afgevaren. Ik heb me verzoend met de idee dat zij, Marianne, wellicht het hoogst haalbare voor me is. Die meisjes in monokini zouden wellicht geen interesse in me hebben. Om nog te zwijgen over die metermaids in gouden bikini. Welke onaardse schone zou in godsnaam aandacht kunnen hebben voor een lange stengel met stekkebenen en een lelijke ader die dwars over zijn voorhoofd loopt? Geen enkele! Maar er is nog een andere reden waarom ik blij ben dat ik geen weken na elkaar op dat schip hoef te zitten. Er zit namelijk een haar in de boter tussen Xavier en mij. Een dik haar. Dat ik hem die avond bij het schrobben van het dek aan zijn lot heb overgelaten, heeft hij me niet vergeven. Sinds die dag loopt hij van ’s morgens tot ’s avonds op me af te geven. Ik liet het aanvankelijk over me heen gaan. Ik dacht dat het wel zou koelen zonder blazen. Maar zijn woede was als een bosbrand die om zich heen greep. Elke dag laaide het vuur hoger op. En gisteren heeft de Apocalyps zich dan voltrokken. Toen ik na het schrobben van het dek naar huis wilde gaan, vroeg hij me of ik een biertje met hem wilde gaan drinken. Misschien lag het in zijn bedoeling de scherven te lijmen, maar ik begreep het anders. Ik had het gevoel dat hij me uit wilde dagen. Een ruzie uitlokken. Als dat zo was, slaagde hij wonderwel in zijn opzet. Marianne had namelijk beloofd lekker voor me te koken en dat zei ik hem. Onomwonden. Niet meer dan dat. Maar dat bleek genoeg te zijn om het vuur aan de lont te steken. Hij bekeek mij met de gemeenste blik ooit en snauwde: “You fool! When are you going to let go that stupid girl?” Toen ik spontaan en zonder na te denken antwoordde “Never,” hoorde ik zijn klauwen uitslaan en zag ik door zijn licht geopende lippen zijn slagtanden glinsteren. Ik weet niet wat in hem kwam, maar hij leek fysiek te veranderen. Doctor Jekyll werd mister Hyde in een fractie van een seconde. Hij kwam vlak voor me staan en spetterde me in het gezicht dat ik wellicht vergeten was dat hij dit klotebaantje voor mij had geregeld. Ik bleek plots een “ondankbare motherfucker” te zijn. Ik trachtte geen aanstoot te nemen aan zijn woorden, maar toen hij me ook nog eens verwijtend toebeet dat ik onze vriendschap op het spel zette voor een goedkope ‘fuck’, schoot ik in actie. Dat kon ik niet over me heen laten gaan. Ik beet hem toe dat Marianne helemaal geen “goedkope” fuck was, wel in tegendeel! En ik voegde er gelijk aan toe dat hij het was die onze vriendschap op het spel zette door dat belachelijke jaloerse gedrag van hem. Toen was het hek helemaal van de dam. Het gif spoot hem letterlijk uit de bek. Hij slingerde me een hoop lelijke woorden naar de kop. En even had het er zelfs schijn van dat hij me ging slaan - wat een drama zou zijn geweest, want ik zijg al neer als een bromvlieg met enige snelheid tegen me aanvliegt - maar uiteindelijk keerde hij zich om en liep van me weg. Sindsdien heb ik niks meer van hem gehoord. Opgeruimd staat netjes, dacht ik. Maar als ik eerlijk ben, moet ik toegeven dat ik spijt heb van onze aanvaring. Jan Byttebier buiten beschouwing gelaten, is hij mijn enige vriend. En aan Jan Byttebier heb ik niks, zolang die me blijft ontwijken. Ik zou dus maar beter Xavier koesteren, ook al doet hij zo vervelend. Maar hoe leg ik het weer bij…? Ik sta op en loop door de flat om mijn zinnen te verzetten. Eigenlijk verveel ik me dood op dit onooglijk appartement waar je amper je kont kunt draaien. Ik klop onophoudelijk mijn knokkels tegen elkaar terwijl ik loop rond te kijken, op zoek naar iets waarmee ik mijn tijd kan verdoen. Wanneer mijn blik op de commode blijft rusten krijg ik een idee. Misschien moet ik maar eens doen wat iedereen zou doen in mijn plaats: mijn nieuwsgierigheid lenigen door in Marianne’s persoonlijke spulletjes te neuzen. Wat weerhoudt me? Als ik dan toch bij haar blijf, kan ik maar beter wat meer over haar te weten komen. Zelf is ze al te karig met informatie. Ik zet me op mijn knieën voor de kast en trek een willekeurig deurtje open. Spontaan reiken mijn handen naar een stapeltje fotoalbums dat naar me ligt te lonken. Plaatjes bekijken is een aangenaam en leerzaam tijdverdrijf. Ik neem de albums vast maar twijfel. Zou Marianne er bezwaar tegen hebben dat ik door haar verleden blader? Ach… als ik de albums nadien precies zo terugleg als ik ze heb gevonden, hoeft ze het zelfs niet te weten! Ik neem het stapeltje uit de kast en zet me neer op de vloer. Leunend met mijn rug tegen de commode pak ik het bovenste album van de stapel, leg het op mijn uitgestrekte benen en sla het open. De eerste foto die ik te zien krijg, toont een mooi blond meisje van een jaar of zeven. Ik kijk nader toe en herken Marianne. Niet aan haar lichaamsbouw. Zo voluptueus als ze nu is, zo schriel was ze toen. En haar haren waren lang en zaten in de krul. Maar het zijn die prachtige, sprekende ogen, die ze nu nog altijd heeft, die me verzekeren dat zij het is. ©photosuus instagram.com/suusb2b/ Ik sla de bladen één na één om en krijg nog meer plaatjes te zien uit nagenoeg dezelfde periode. Vaak poseert ze alleen, maar op enkele foto’s wordt ze vergezeld door twee mensen waarvan ik veronderstel dat het haar ouders zijn. Een markant stel dat niet de minste vergelijking kan doorstaan met mijn burgerlijke ouders: vader met zijn eeuwige pantalon, gesteven overhemd en das, en moeder met haar grootmoederjurken waardoor ze honderd jaar lijkt. Deze mensen lijken van een andere planeet te komen dan de mijne. De man heeft lange haren die hij in een paardenstaart draagt die tot halverwege zijn rug reikt. Op zijn neus torst hij een ouwerwetse bril met ronde glazen, en hij gaat gekleed in een versleten polo en een korte jeansshort. Zijn onderbenen zijn fel behaard en staan een beetje krom, alsof hij zijn hele leven te paard heeft gereden. Aan zijn voeten heeft hij sandalen. De vrouw is een opvallend stuk groter dan de man en gaat gehuld in sterk gecentreerde bloemenjurken die tot halverwege haar dijen reiken. Vrijwel op iedere foto draagt ze hoge witte laarzen en heeft ze om haar felrode haren een lint gespannen, als de zweetband van een sporter. Verder draagt ze op sommige plaatjes een opvallende zonnebril met blauwe glazen, en heeft ze om haar nek een vredesteken hangen. Het volgende album beslaat een iets latere periode. Marianne is er een prille tiener. Ze is nog steeds erg slank, maar beschikt al over een stel stevige tietjes. Ze heeft nog steeds die lange blonde haren, maar de krul is eruit. Haar vader ziet er nagenoeg hetzelfde uit als in het eerste album. Nog steeds heeft hij die lange paardenstaart en draagt hij een polo en jeansshort. Enkel zijn ziekenfondsbril heeft hij geruild voor een bril met een hoornen montuur die zwaar op zijn neus leunt. Haar moeder daarentegen heeft een metamorfose ondergaan. De bloemenjurken heeft ze geruild voor stretchbroeken en glanzende, gecentreerde hemden. En de witte laarzen voor schoenen met een diepe uitsnijding en hoge hakken. Van het haarlint en het vredesteken is geen spoor meer. Het derde album toont een Marianne die een aankomende vrouw is. Ze vertoont hier voor het eerst sporen van nakende zwaarlijvigheid. Haar borsten staan al iets te nadrukkelijk afgetekend in haar blouse en ook de welvingen van haar buik en heupen zijn al duidelijk zichtbaar. In dit album is Marianne’s aanwezigheid minder prominent. De nadruk ligt hier op haar ouders. Wat me steeds weer opvalt, is hoe gelukkig die twee er op alle plaatjes uitzien. Ze lachen, omarmen elkaar, zoenen, doen gekke dingen en lijken zich nooit om de aanwezigheid van de fotograaf te bekommeren. Hoe anders alweer dan mijn ouders, die op elke foto poseren als levende lijken en nooit eens een greintje levenslust uitstralen. De foto’s in het volgende album tonen een Marianne die zichtbaar gebukt gaat onder een immens verdriet. Hier heeft het noodlot wellicht al toegeslagen. De levenslust heeft plaatsgemaakt voor een onmiskenbare somberte, en ze lijkt niet langer met plezier te poseren, maar wekt de indruk het fotograferen lijdzaam te ondergaan, alsof ze er toe werd gedwongen. Hier is ze qua uiterlijk al veel meer de Marianne zoals ik haar ken. Ettelijke kilo’s aangekomen en gekortwiekte haren. Het laat me niet onberoerd te zien dat ze er nog maar een schim is van zichzelf. Blad na blad, foto na foto voel ik een steeds nadrukkelijker medelijden in me opwellen… tot ik een ontdekking doe die al deze gevoelens op slag de kop indrukt. Op één enkele foto wordt ze geflankeerd door een man die haar omarmt alsof ze zijn geliefde is. Op zich niet opzienbarend, ware het niet dat ik deze man ken! Hij is er nog een stuk jonger, maar de opwippende wenkbrauw, de gitzwarte snor, de robuuste onderkaak, de sik op zijn kin… al deze kenmerken laten er geen twijfel over bestaan dat de kerel, die aan de zijde van Marianne poseert met de flair van een rokkenjager, niemand minder is dan Jan Byttebier! Alsof ik ten prooi ben aan een verlamming zit ik minutenlang naar de bewuste foto te staren. Ik slaag er niet in te bewegen. Zelfs ademen valt me zwaar. De hele tijd zit ik me af te vragen hoe het mogelijk is dat Marianne en Jan elkaar kennen. Berust dit op toeval? Hallucineer ik? Of ben ik dan toch het slachtoffer van een complot, zoals ik eerder vermoedde? Ik klap het album dicht en leg het op de stapel. Terwijl mijn blik ergens houvast zoekt, beukt in mijn borstkas mijn hart alsof het uit wil breken. Eerder verschenen: Tot ziens, Marianne (deel 1) https://yoo.rs/r/19942 Tot ziens, Marianne (deel 2) https://yoo.rs/r/20235 Tot ziens, Marianne (deel 3) https://yoo.rs/r/20543 Tot ziens, Marianne (deel 4) https://yoo.rs/r/20799 Tot ziens, Marianne (deel 5) https://yoo.rs/r/20972 Tot ziens, Marianne (deel 6) https://yoo.rs/r/21293 Tot ziens, Marianne (deel 7) https://yoo.rs/r/21538 Tot ziens, Marianne (deel 8) https://yoo.rs/r/22028 Tot ziens, Marianne (deel 9) https://yoo.rs/r/22211 Tot ziens, Marianne (deel 10) https://yoo.rs/r/22465 Tot ziens, Marianne (deel 11) https://yoo.rs/r/22721 Tot ziens, Marianne (deel 12) https://yoo.rs/r/23021 Tot ziens, Marianne (deel 13) https://yoo.rs/r/23587

MEER