Onrust over Donkerplas: Hoofdstuk 4 | Rudi

Onrust over Donkerplas: Hoofdstuk 4

Het bericht veroorzaakte onmiddellijk een exodus van bewoners van Woudheuvel. Op kop liep de clan van de edelherten. Meester Boehoe zag van op zijn uitzichttak dat de ree Hoya en haar echtgenoot Chip hun bende kleinen aanvoerde en aanspoorde. Hij herkende Hopi en Moki onder hen en daarop volgde een groep van andere hertensoorten die met grote sprongen zich uit de gevarenzone weg begaven. Hun geelbruine en witte spiegels op hun achterwerk werd groter en dat was het teken dat elke ree en hert hen moest volgen als ze het gevaar wilden ontlopen.

Maar ook de vossen, hazen en konijnen die op elk ander moment geen vriendjes zouden zijn, trokken nu aan één zeil. Boehoe zag met tevredenheid dat iedereen hielp om elkaar in veiligheid te brengen. Dakota, een oudere vos, spoorde Sikja, het manke konijn aan met zijn snoet als ze even naar adem hapte tussen twee huppen door. De hazenfamilie volgde de stoet en repte zich, hun lange oren naar alle richtingen draaiend om elk gevaar onderweg op tijd uit de weg te springen. Weg van de plaats des onheils. Hij herkende Lepi, Lepa en Lepo de drieling van Moederhaas Rabita en de pater familias Liever Lepus die af en toe halt hield om te kijken of iedereen wel volgde. Woudheuvel was in beweging, althans de bewoners hiervan.

Een stroom van dieren volgden hun weg langs Meester Boehoe en het duurde heel lang vooraleer de traagste onder hen, Mejuffer Astrea, de slak, bovenop Nestor de schildpad, een van de oudsten van Woudheuvel, langzaam hun weg vervolgden naar open plaats op de vluchtheuvel.

Meester Boehoe keek even veelbeduidend naar de buizerds, haviken en sperwers en hun familie die in zijn nabijheid wachtten op hun orders. Zij waren de vliegende brigade van Woudheuvel die de achterhoede moest behoeden van rampspoed. Zij begrepen zonder woorden wat er van hen geëist werd en doken omlaag om de kleinen en de meest kwetsbare onder de bewoners in hun duikvlucht op te pikken om hen naar veiliger oorden te brengen. De rest onder hen stegen op en cirkelden boven de staart van de colonne en hielden alles met een argusoog in de gaten tot een eventuele ingreep nodig was en ze vliegensvlug ingrepen.

Zonder grote ongelukken bereikte iedereen, zelfs Nestor de schildpad die nu wel heel kortademig was, de open plaats aan de rots, waar Rolf de wolf als een wachter boven de massa dieren torende. Toen Meester Boehoe kwam aangevlogen daalde hij echter een stapje naar beneden. Wijsheid ging voor sterkte wist Rolf en hij boog plechtig zijn kop voor hun leider die landde op het hoogste punt van de rots die uitzicht gaf op Woudheuvel, Donkerplas en in de verte de rode waas van vuur!

Boehoe knipperde een aantal keer met de ogen, misschien een paar keer meer dan zijn gewoonte was. De stress was ook bij hem tussen zijn uilenveren gekropen. Hij draaide even ongerust zijn hoofd in de richting van de rode horizon en schraapte zijn keel vooraleer hij zijn vrienden aansprak.

‘Ik heb heel ver en diep in mijn geheugen moeten zoeken en dankzij de beschrijving van Rolf, onze beste krijger, moet ik jammer genoeg zeggen dat ik de naam van het monster nog niet vergeten ben. Het gedrocht dat verantwoordelijk is voor zo’n verschrikkelijke vernietigingskracht. Mijn verstand zegt dat het onmogelijk is, dat het realistisch niet kan zijn dat zo’n wezen de tijd heeft doorstaan, niettegenstaande al zijn tijdgenoten zijn uitgeroeid. Maar toch is dit de enige mogelijkheid en dus de waarheid. Heeft iemand onder jullie ooit nog de naam Fnar, zoon van Fnir de Noorse Draak gehoord?’

Ieder dier bleef stil, uitgenomen Rolf, die zijn meest angstig gehuil liet horen. Rolf herkende onbewust de namen van Fnar en Fnir die ooit lang geleden in zijn genen was gebrand. De krijger van Woudheuvel begon terug te trillen op zijn poten, zo erg dat hij moest gaan liggen of hij was ter plaatse omgevallen.

© Rudi J.P. Lejaeghere


https://yoo.rs/onrust-over-donkerplas-hoofdstuk-3?Ysid=22086 


Share
Earn €1 per 1000 shares.