Herstelbetalingen slavernij: eenzijdig te bepalen door de erfgenamen van de daders?


Haïti en de Caricom

Op 13 mei 2015 bracht de Franse president François Hollande een staatsbezoek aan Haïti;een mijlpaal in de Caraïbische geschiedenis. Nooit eerder, sinds de onafhankelijkheid van Haïti in 1804, bracht een Frans staatshoofd er een officieel bezoek.

In de Nederlandstalige online-kranten werd daar geen tot weinig aandacht aan besteed.


Caricom-eisen

De eis van de Caricomlanden: herstelbetalingen te voldoen door de voormalige kolonisatoren/slavenhalers/slavenhouders aan de nazaten van hun slachtoffers, richt zich in 1e instantie tot Groot-Britannië, Frankrijk en Nederland.


SCvH

De claim van het Suriname Committee voor Herstelbetalingen aan het adres van de Staat der Nederlanden mocht zich op een klein beetje meer belangstelling verheugen.

Vooral de vraag of Nederlanders zich al dan niet collectief schuldig dienen te voelen en in het bijzonder eventuele herstelbetalingen, via de belastingen te voldoen.

Want laten we wel wezen: 30 miljard, op te brengen door 17 miljoen burgers: een kleine 1800 euro per persoon: wat kan een mens daar niet allemaal voor kopen bij meubelboulevard, tuincentrum etc...


Verzoek om vergiffenis

Wat ik bijzonder jammer vind, is dat niemand officiële verzoeken om vergiffenis aan de nazaten van de slachtoffers noodzakelijk of zelfs wenselijk acht.

Hier en daar werd voorzichtig gerept over “schriftelijke excuses” maar verder moet het blijkbaar niet gaan. De aangevoerde argumenten zijn overbekend: zowel binnen als buiten de diverse virtuele reservaten:

– het is 152 jaar geleden, iedereen die toen leefde, is allang dood

– anderen deden het óók/eerder/later/langduriger en hebben het zelfs uitgevonden

– slavernij was destijds “gewoon/normaal/sociaal geaccepteerd” en zelfs niet in strijd met de wet

– In Europa in het algemeen en Nederland in het bijzonder haast iedereen zich te verklaren dat allen afstammen van arme pachtboeren, horigen, uitgebuite fabrieksarbeiders etc. die weliswaar niet als vee op de markt werden verkocht, gebrandmerkt, met behulp van honden werden opgejaagd en met zwepen werden afgetuigd, maar die niettemin een ellendig bestaan leidden.

-Zo er al iemand profijt heeft getrokken van drie eeuwen transatlantische slaventransport en -handel, winsten van plantages overzee, roof van delfstoffen etc.: niet de voorouders van de huidige bewoners, laat staan zijzelf!


Waarom ik het uitblijven van een officiële erkenning van schuld dan tòch jammer vind:

Hier op Curaçao wonen 15.000 personen, met wie de 'gewone Nederlander', afgezien van geboorteland/land van herkomst, moedertaal, cultuur en melanine-gehalte, absoluut niets gemeen heeft.

Een, naar mijn smaak, te groot deel van voornoemde bevolkingsgroep trakteert de hier geborenen (wat men in Nederland “autochtonen” zou noemen) regelmatig op uitspraken die er op neerkomen dat die “dankbaar” dienen te zijn voor drie eeuwen slavernij.

Volgens deze bevolkingsgroep (zichzelf collectief/nationaal aanduidend als “wij/ons”) zou het (geheel dan wel gedeeltelijk) negroïde deel van de bevolking (circa 60%, gewoonlijk aangeduid met “jullie” of “negers”):

-ofwel (indien onvermengd) nog “in Afrika rondrennen in rieten rokjes en met botjes door de neus”

-ofwel (indien van multiraciale afkomst) nooit zijn geboren.

Deze bevolkingsgroep wijst de locale bevolking daarnaast op het feit dat “wie de slaven haalde, hier eerder was dan de slaven zelf”:

Deze zich “wij/ons” noemenden, claimen de oudste rechten op het eilandgebied waar zij een sociale en etnische minderheid vormen (10% van de totale bevolking) en noemen dat, direct na inschrijving in het plaatselijke bevolkingsregister “ons land”.

Uitlatingen als “je kunt de neger uit het oerwoud halen, maar het oerwoud niet uit de neger” worden regelmatig gedaan, evenals een pleidooi voor herinvoering van het gebruik van de zweep.

http://www.npo.nl/onder-elkaar/30-03-2013/NPS_1225070


Een officiële erkenning van schuld en een verzoek om vergiffenis, zou mogelijk een passende “muilkorf” voor deze lieden kunnen zijn, maar helaas...

Ik onthoud mij overigens van speculaties m.b.t. de haalbaarheid van de claims van het SCvH.

Dat laat ik graag over aan Gerard Spong. Zijn lezing over dit onderwerp (2013) heb ik nog eens herlezen: met name punt 24 is m.i. zeer interessant.

http://www.hetscheepvaartmuseum.nl/uploads/lezing%20Gerard%20Spong.pdf

Bij het criterium “uitsluitend zolang er nog iemand van de betrokkenen in leven is” zet ik enige kanttekeningen, geïllustreerd met voorbeelden vanuit mijn persoonlijke achtergrond:


Haïti

Het enige land dat niet afwachtte tot het de kolonisator behaagde zijn menselijke eigendommen in vrijheid te stellen, heeft zijn zelf bevochten vrijheid duur betaald.

Op 1 januari 1804 riep de voormalige slavenkolonie eenzijdig de onafhankelijkheid uit, na de Fransen er zonder pardon uit te hebben gesmeten, of over de kling te hebben gejaagd.

Geen enkel land was bereid de nieuwe republiek te erkennen.

Frankrijk eiste 150 miljoen gouden francs schadeloosstelling en een bevoorrechte handelspositie.

Geen Fransman heeft ooit geroepen:

deze herstelbetaling is immoreel”

“we moeten naar de toekomst kijken en niet achterom”,

“laten de Fransen de handen uit de mouwen steken in plaats van herstelbetalingen te eisen”,

“de Fransen moeten niet in een slachtofferrol vervallen”.

“het gaat ook altijd alleen maar over geld”

“een schriftelijk excuus moet voldoende zijn”

Pas du tout: Frankrijk eiste herstelbetalingen en dwong die af met militaire dreiging, zich daarin gesteund wetend door een aantal westerse mogendheden.


Hierbij vergeleken zijn de compensatiebedragen die de Nederlandse overheid in 1863 betaalde aan haar voormalige slaveneigenaren, voor het gedwongen afstand doen van hun menselijke eigendommen, nog bescheiden te noemen: 300 gulden per slaaf:

http://www.noord-hollandsarchief.nl/slavernij/slavernij-definities-schuld-schaamte-en-terminologie-/107/553/

Zelfs de door Nederland afgedwongen concessies op hout (Bruynzeel) en delfstoffen in Suriname, evenals die op de fosfaatwinning op Curaçao en Aruba, verbleken naast de Franse eisen.

Bij de goudwinning op Aruba werd overigens niet eens meer de moeite genomen e.e.a onder de schimmige dekmantel van een “particuliere onderneming” te verrichten:

(Bron: W.E. Renkema: Een leven in de West blz.128)


Haïti betaalde af aan Frankrijk van 1825 tot 1947 (nee, dat is geen tikfout!)

“Die vervloekte schuld aan Frankrijk heeft de helft van Haïti's ongeluk veroorzaakt” zei Sir Spencer Saint-John (de Britse zaakgelastigde in Haïti, 1863-1871) terecht.

http://www.haitiinfo.nl/images/pdf/Herstelbetaling_aan_Frankrijk.pdf

Van de Haïtianen die tot 1947 meebetaalden, zijn er nog vele in leven.


Franse bet-overgrootvader

Iemand met een Franse familienaam kan moeilijk ontkennen, roots in l'Hexagone te hebben.

Heeft mijn familie, indirect meegeprofiteerd van de, steeds opnieuw “geherfinancierde” 21 miljard dollar (met woekerrente) die de arme Haitiaanse bevolking, tot 2 jaar voor mijn geboorte, moest ophoesten?

Ik hoop van niet, en acht de kans klein.

Mijn bet-overgrootvader was een onbemiddelde Franse zeeman, die omstreeks 1840 op Aruba strandde en daar paardenknecht werd.

(Zoals Curaçao de slavenmarkt was voor omliggende landen, was Aruba de paardenmarkt)


Toch bekruipt mij een onbehaaglijk gevoel als ik mijn eigen situatie vergelijk met die van Jean-Baptiste, de Haïtiaanse nachtwaker, die (ter ondersteuning van elektronische beveiliging en bewakingscamera's) helpt voorkomen dat mijn huis het doelwit wordt van inbrekers.

Ik kan tal van argumenten aanvoeren om mijzelf en mijn familie vrij te pleiten:

-wij hebben niet de Franse nationaliteit: al minstens 4 generaties niet meer

-niemand van ons is ooit op Haïti geweest

-wij hebben nooit, waar dan ook, zelfs maar een aandeel in een plantage gehad, laat staan slaven

-mijn bet-overgrootvader was ten tijde van de Franse eis nog niet geboren en bij aanvang van de betalingen nog minderjarig


En toch...

Ik was in de gelegenheid om te studeren, kreeg daardoor een fijne, goedbetaalde baan en geniet nu van een prima pensioen.

Waarom was er voor Jean-Baptiste geen studiebeurs van de overheid in zijn geboorteland, laat staan dat zijn ouders, zoals de mijne, daar een aanvulling op konden toeleggen?

Zakkenvullende politici? Jazeker, maar die hebben wij hier ook; zoals in héél veel landen, hoewel ik moet toegeven dat de Duvaliers, père et fils en consorten tot de kampioenen behoorden.

Mijn familie is, na 5 generaties hard werken, niet arm meer, de familie van Jean-Baptiste werkte minstens zo hard, maar is nog steeds straatarm.

Het stelt mij enigzins gerust dat Jean-Baptiste niet wordt uitgebuit. Onze vereniging van huiseigenaren betaalt hem een fatsoenlijk salaris, waarvan hij het grootste deel naar huis stuurt. Hij onderhoudt daarmee een grote familie.


Portugal

Mijn andere bet-overgrootouders, die van mijn moeders kant, behoorden tot de laatste lichting Sephardische Joden, die in Portugal de keus kregen tussen “katholiek worden of oprotten”.

Zij kozen voor de tweede optie en kregen een “vrijgeleide” naar de haven van Belém.

Zij mochten zoveel bagage meenemen als ze zelf konden dragen en dienden de 8 km van Alfama naar Belém te voet af te leggen.

Langs de route stonden hun katholieke stadgenoten, opgehitst door hun kerkelijke leiders, klaar met emmers vol zeewater om de koppige bannelingen op de valreep nog te “dopen”.

Met doorweekte kleding en dito bagage bereikten zij het schip dat hen voorgoed afvoerde uit het land waar zij waren geboren.

Ten aanzien van Portugal stam ik dus af van de “benadeelde partij”.


Is Portugal of de RK-kerk mij daarvoor iets verschuldigd?

Zelf vind ik van niet!

De sympathieke Portugees met wie ik in Lissabon, over dit onderwerp in gesprek raakte, vond van wèl:

“Jouw familie moest hun huis met alles wat daar in stond achterlaten, de een of ander zal zich dat wel hebben toegeëigend”.

“Jij was dat in ieder geval niet, tenzij je ouder bent dan 120 jaar”

“Maar misschien wel iemand van mijn verre verwanten. Ik ben katholiek, mijn familie woont al vele generaties in Lisboa. Ik heb geen garantie dat er niet iemand van hen met zeewater naar jouw familie heeft staan gooien of hun huis heeft ingepikt.”

Hij wilde per se iets doen om het “goed te maken”.

Ik ben opgegroeid in een overwegend katholiek land. Het effect van opgelegde penitentie en de vredige voldaanheid na de boetedoening, als alle zonden zijn vergeven, is mij bekend.

Als ik iemand dat gelukzalige gevoel kan bezorgen, zal ik het niet laten:

“Jij hebt toch een auto? Wat dacht je van een ritje naar Belém? Als je maar niet per ongeluk het water in rijdt; ik ben al gedoopt.”


Het verschil

Waarin zit, voor mij persoonlijk, het verschil?

In de “kwestie Portugal” waren mijn voorouders de benadeelde partij, maar het ging hen hier op de Antillen in ieder opzicht beter, dan het hen naar verwachting in Lissabon zou zijn gegaan.

Hun vele nakomelingen hebben geen schade geleden van hun verbanning; integendeel.


Frankrijk en de Haïtiaanse herstelbetalingen

Ben Macintyre schreef in 2010 in The Times over de sporen van vernieling die Frankrijk in Haïti heeft nagelaten:

... ‘in few countries is there a more direct link between the sins of the past and the horrors of the present.’

President François Hollande zette een eerste (kleine) stap in de goede richting, tijdens zijn staatsbezoek aan Haïti, in 2015, door te erkennen dat er sprake is van een morele schuld.

Ik zou het rechtvaardig achten als aansluitend de afgeperste 21 miljard met rente zou worden terugbetaald, gevolgd door herstelbetalingen voor drie eeuwen slavernij, maar ik ben bang dat het bij vrome woorden en een fooi zal blijven.

Ik stam af van een Fransman, van wie ik alleen maar kan hopen dat hij, zelfs indirect, voor geen halve centime voordeel heeft genoten van de misdaden van zijn geboorteland.

Gezien zijn bescheiden maatschappelijke positie, acht ik de kans minimaal, maar 100% garantie heb ik niet.


Erfzonde en verrekening

Ik geloof wèl in erfzonde, zeker als de wandaden van de voorouders/erflaters nog steeds de nakomelingen van de directe slachtoffers treffen.

Sommigen zijn van mening dat, indien de claims worden gehonoreerd, het geld van ontwikkelingssamenwerking daarop in mindering moet worden gebracht:

De bedragen die ik als privé-persoon heb overgemaakt naar hulporganisaties bij rampen, zou ik die dan ook in mindering mogen brengen, op “mijn” aandeel in de Franse schuld aan Haïti?

Ik zou me diep schamen!

Het idee dat verlenen van hulp in een noodsituatie ooit mag worden verrekend met te betalen schulden, vervult mij met walging.

Voor mij zijn het, alleen en uitsluitend, de slachtoffers en hun nazaten die kunnen en mogen bepalen, wanneer een onrecht is vergeven en een schuld is ingelost.