Een ander tijdperk


Igor neemt me mee tot in het hart van de piramide en verteld: ‘Een van de priesters in het gezelschap van de farao deed nogal geheimzinnig. Dus ik volgde hem hierheen.’
Ik kom naast de ijstrol staan. Nieuwsgierig kijk ik toe hoe hij vanachter een houten schot een klein doosje tevoorschijn haalt.
‘Is dat het?’
‘Dat moet wel,’ zegt Igor.
‘Wat ben je aan het doen?’ hoor ik ineens iemand zeggen.
Geschrokken draai ik me om. Ik voel me tegelijk opgelucht en betrapt als ik de prinses zie staan. Ik begin te stotteren. ‘Ach, prinses Hetepheres, ik eh...’
De prinses doet een paar stappen naar voren en ziet nu ook de ijstrol staan. Ze slaakt een gil die me ineen doet krimpen.
Igor duikt weg, maar het leed is al geschiedt. Ik zie haar ogen wegdraaien en kan de prinses nog net op tijd opvangen wanneer ze flauwvalt.
‘Mooie boel,’ mopper ik. ‘Wat doen we nu?’
‘Wegwezen!’ zegt de ijstrol haastig.
‘Is dat jouw antwoord op alles?’ roep ik hem toe.
Op dat moment horen we voetstappen en geschreeuw onze kant op komen.
‘Daar heb je het al: de farao en zijn gevolg. Als we nu niet weg gaan, is het te laat!’ roept Igor.
Aan mijn voeten ligt nog steeds de prinses. Ik buig voorover en kus haar zacht. Dan fluister ik in haar oor dat ik misschien ooit terugkom. Achter mij doet Igor het doosje open en een verblindend wit licht omringt ons. Het is zo fel dat ik mijn ogen moet sluiten. Een opzwellend gezoem vult mijn oren, alles om ons heen begint te schudden. Igor pakt mijn hand vast en vlak voordat we wegflitsen voel ik nog wat anders... 
Heel even ben ik van de wereld en zweef ik in het luchtledige. Dan kom ik weer langzaam bij. Ik knipper met mijn ogen en merk dat ik in een bos lig. Igor is nergens te bekennen. Alles om mij heen voelt tropisch aan. Waar zijn we in hemelsnaam terechtgekomen? Ik sta op en begin te lopen terwijl ik luidkeels mijn vriend roep. Dan bots ik ergens op. Ik kijk eens goed en merk dat het een ei is. Een enorm groot ei. Is dit een droom?
Een bekende stem doet mij verstijven. Ik draai me om en zie de farao met twee van zijn lijfwachten staan. Ze zijn kennelijk ook meegezogen in de tijdstroom.
Dreigend komen ze op me af. De farao priemt zijn vinger in mijn borst. ‘Ik had al grote twijfels over jou. Je kan mijn dochter misschien bedriegen, maar mij niet. Je gaat nu met ons mee.’
Kennelijk heeft de farao niet door dat hij niet meer in de piramide staat. Misschien is dat mijn geluk en weet ik op deze manier te ontsnappen.
Dan hoor ik in de verte geluiden die ik niet helemaal kan thuisbrengen. Mijn ongerustheid neem toe, zeker als ik verderop wat bomen hard heen en weer zie bewegen. Ik hoor iets dreunen. Mijn tanden klapperen.
Opeens duikt de ijstrol op uit een groepje struiken terwijl hij schreeuwt: ‘Rennen!’
Enkele meters achter hem verschijnt de kop van een Tyrannosaurus rex in beeld. Het beest brult zo hard dat de aarde beeft. Met een hart dat direct mee op hol slaat, sprint ik achter Igor aan, terwijl de farao en zijn mannen verbaast blijven staan.
‘Waar heb je dat doosje gelaten?’ roep ik Igor achterna.
‘Dat ligt nog in de buurt van dat nest,’ roept hij terug.
We houden halt bij een hoge boom en komen langzaam op adem.
‘Hoe komt het dat we nog verder in het verleden zijn gekomen?’ vraag ik de ijstrol.
‘Ik weet het niet zeker, maar ik denk dat de plotselinge aanwezigheid van de farao en de wachters er wat te maken mee heeft. Er is waarschijnlijk een verstoring in het tijdsveld gekomen waardoor we niet teruggingen naar de toekomst, maar juist verder in het verleden werden geslingerd.’
‘Van die arme kerel zal wel niet veel meer over zijn dan een hoopje botten,’ merk ik op. 
‘Misschien heeft het wel zo moeten zijn. Het lichaam van farao Cheops is tenslotte nooit gevonden...’
De ijzige waarheid doet ons verstommen tot een plotselinge sneeuwbui ons extra verrast.


* 5 x 140 woorden