Het volk pikt het niet langer


#politics 
Inwendig trillend loop ik over straat. Mijn handtas angstvallig tegen me aangeklemd. Zouden ze het merken? Zou er iemand zijn die me zal verdenken van een aanslag?
'Nee,' kalmeer ik mezelf, 'zo'n onschuldig strompelend individu wordt alleen maar meelijdend aangekeken.'  
Ik voel de ogen, de steelse blikken van het klootjesvolk, zien ze mij als één van hun? Ben ik daar gewoon genoeg voor? Ik oog ook gehoorzaam, al  bewandel ik veelal de weg van de meeste weerstand, toch schop ik niet echt tegen de maatschappij, hou me normaal gesproken wel aan de wet en volg de regels van fatsoen. Maar het valt me wel steeds zwaarder.
De volgzame burgers, ze staan in schril contrast met de arrogantie. De arrogantie van de macht van de regering.
De leiders van het land, die mij niet zien staan. Ik sta er toch. Voor mezelf, voor mijn man en kinderen, voor de onderdrukten van de maatschappij.
En nu sta ik voor de ingang van het imposante gebouw.

Uiterst voorzichtig, iedere beweging telt, doorvoel ik mijn tas, ik haal er een mondkapje uit, doe de elastiekjes achter mijn oren en verberg mijn verbeten trek achter het masker. Dan stap ik over de drempel. Ik ben binnen. Losgerukt van mijn eigen angsten loop ik langzaam door lange gangen. Mijn hand ligt op de deurklink. Onhoorbaar druk ik hem naar beneden. Geruisloos zwaait de deur open.
Daar zit hij. Achter zijn mahoniehouten bureau, de eeuwig glimlach plakt op zijn gezicht. Enthousiast klapt hij zijn handen ineen.
'Kijk eens aan, hoog bezoek, de steekwoordenkoningin in hoogsteigen persoon, welkom, Dana, wat heb je allemaal meegenomen in je handtas? Hoor ik daar getik? Is het soms een bom, hahaha.'
Ik klem mijn kaken op elkaar. Typisch onze minister president, hij lacht het weg, alsof gewone mensen er niet toe doen. Hij hoort het getik waarschijnlijk in zijn hoofd... of zou hij een vermoeden hebben?
Traag ligt ik de klep van mijn handtas op, strak kijk ik hem aan, zie de zweetdruppeltjes op zijn voorhoofd, een spiertje in zijn mondhoek trilt. Doe een stap naar voren. Mijn vingers raken van alles aan, het zal toch niet, ik heb het toch meegenomen? Het ligt toch niet nog thuis, onbeschermd, op de tafel? Ik slik. Gelukkig, ik voel het. Hebbes. Met één ruk vliegt het vanuit mijn tas op zijn bureau.

De aanslag.
Het torentje trilt nog lang na, het mahoniehout is er niet tegen bestand. Diepe emotionele kerven heeft de aanslag achtergelaten. Op blauw belastingpapier heb ik zorgvuldig de woorden opgeschreven. Namens de onderdrukten van de maatschappij, sla ik u aan voor al het berokkenend leed, voor al de valse beloften, voor alle weglachacties, voor alle zorgvuldig verpakte minachting. Wij eisen genoegdoening, wij eisen het recht om als burgers eveneens onzin te mogen verkopen.
Alstublieft meneer de president.