Planeet


“Je bent het mooiste meisje op deze planeet.”

“Ik ben het enige meisje op deze planeet!” Hij lacht zelfingenomen. Ik haat zijn lach. Hij zou me beter vertellen wat hij met me van plan is.

“En ook de planeet is mooi,” zegt hij, alsof ik niets heb gezegd. “Ik heb ze gemaakt.”

Ik zou wegrennen maar weet dat dat weinig zin heeft. We zitten ingesloten, met een dikke laag rondom ons. Je zou het bijna sneeuw kunnen noemen, maar dat is het niet. Het is twee graden: ijskoud; maar nog net geen vries.

Ik loop zwijgend naar de kant waar ik nog iets van de daglicht zie. De bunker heeft alleen kleine en grote ronde gaten. Het is dag en nacht, afhankelijk van de kant waar je kijkt. Ik negeer de sterren rechts en kies voor de regen links.

Ik kijk naar de straat waar ik vroeger woonde: rumoerig, veel winkels, altijd gezellig. Nu is het stil en lopen er alleen mannen in strakke zwarte pakken. Ze kijken star voor zich uit, en volgen met stevige pas zwijgend één richting.

“Het ‘Tattoo-congres’”, raadt hij mijn gedachten. “Vandaag krijgen ze allemaal een tattoo op de linkerbovenarm.” Ik kijk hem aan. “De tattoo wordt rood als ze een misdaad begaan,” gaat hij verder. “Zo heeft de politie minder werk.”

Ik kijk naar mijn arm. Ik zie een afbeelding van zijn gezicht. “Zelfs ik heb humor,” lacht hij. Hij loopt naar me toe en laat me mijzelf op zijn arm zien. “We horen nu bij elkaar.”

“Wat?” antwoord ik. “Ik ben met Jonas!” Ik besef dat ik nog niet eens aan Jonas gedacht heb. Hij begint te lachen. “O, die heb ik eruit gezet. Scheelt een hoop drama.”

“Eruit gezet? Maar…”

“Hij zit buiten de planeet,” zegt hij. “Hij kan hier weinig betekenen.”

“Hoe kun je? Hij is je beste vriend!”

“Hij had er maar niet met jou moeten vandoor gaan! Nu zit hij…lekker ver.”

Ik knijp in mijn wang. Neen, het is geen droom.

Op dat moment begint onze bunker te bewegen. Ik houd me vast waar ik kan, maar alles schudt en beeft. Er komen scheuren in de bunker. “Verdorie,” vloekt hij, “niet weer!”

Hij springt op een trapje, drukt op een knop en schiet de hoogte in. In een zwevend kantoortje, met de enige deur die ik tot hiertoe heb gezien, zet hij zich voor een soort controlepaneel met duizend en één knopjes.

De bunker houdt af en toe stil, maar stopt niet volledig. Ik hoor hem vloeken.

Alles brokkelt één per één af. Hij blijft tieren, maar er is geen beginnen aan. De ronde gaten worden groter en houden hun vorm niet meer. Er stroomt regen naar binnen en aan de andere kant vallen de sterren naar beneden.

Ik kijk naar de straat. De mannen ontwaken uit hun trance. Ze bekijken hun nieuwe kleren verbaasd, alsof ze zich afvragen wie hen gekleed heeft. Ze kijken elkaar aan alsof ze willen vragen ‘weet jij iets?’

De straat begint weer te leven. Geluiden dringen door de laag heen. Alles begint terug naar het oude te gaan. Er is er maar één die ik niet kan vinden. “Waar is Jonas?” roep ik. “Je spelletje is toch uit, vertel het me!” Hij hoort me niet.

Zijn kantoor is nog meer de hoogte in geschoten, het is niet meer dan een klein stipje in de lucht nu. Mijn tattoo vaagt zichzelf weg, alsof alles wordt uitgegomd. “Jonas!,” roep ik, “Jonas! Waar ben je?” Ik begin te huilen.

“Stil maar,” hoor ik een stem, plots héél dichtbij. “Ik ben hier, vlak naast je.” Ik voel 2 handen die mijn gezicht aanraken. Een seconde later, kijk ik rond in een gigantische kamer. Ik knipper met mijn ogen. “Lieverd, het spijt me,” zegt Jonas. “Ik heb iets verkeerd geprogrammeerd. Werkte de VR-bril niet goed?”

“Het was echt...,” zeg ik, met bibberende stem, “Maar ik vond jou nergens en…”

“Hà die Jonas!” hoor ik een bekende stem de kamer binnen komen. “Lukt het?” Ronald komt naast me staan, iets te dichtbij.

Hij neemt ongemerkt mijn hand als Jonas wegloopt met de bril. Nu streelt hij mijn bovenarm.

“Ik heb een beetje gespeeld met het programma. Niets zeggen hoor” fluistert hij.



Dit verhaal kadert in de schrijfuitdaging januari 2020 van @Hans van Gemert#Schrijfuitdagingen