Hersenen actief tijdens kunstmatige coma: Waar ben ik? en zwijgplicht


Mensen die door de artsen slapende worden gehouden, hebben een zekere mate van bewustzijn. De hersenen van de mens zijn en blijven actief, ook bij een kunstmatige coma. Met deze 3-delige artikelenserie richt ik er de aandacht op, dat je moet opletten hoe je je gedraagt en wat je zegt, wanneer je bij een slapende patiënt in het ziekenhuis op bezoek bent.

In het eerste deel nam ik jullie mee naar mijn privé film, die ik na mijn auto-ongeluk in het ziekenhuis meemaakte. Deze "film" verbeeldde mijn gedachten in de tien dagen op Intensive en High Care. Daarin kwamen de scènes over de varende artsen en een pijnloze zelfmoord in beeld.

In het tweede gedeelte schreef ik over de bus en een Boeddhafiguur. Nu - in het derde en laatste deel - gaat het over de vraag ‘waar ben ik?’ en tenslotte over zwijgplicht.

Het slot van de film in mijn hersenen

Waar ben ik?

De volgende scene moest definitief duidelijk maken waar ik nu eigenlijk was.

Ergens in Antwerpen stond ik in de keuken. Even later bleek dit de keuken te zijn van het Militair Hospitaal in Utrecht, waar (enkele van) mijn maten uit Ossendrecht om me heen stonden. 

Maar bij enkele vrouwelijke personeelsleden stonden emblemen op de schorten, waaruit bleek dat dit het AZU (Academisch Ziekenhuis Utrecht) moest zijn.  

Net buiten de keuken bevond zich een zal, die eruit zag als de kantine van de Koningin Wilhelminakazerne in Ossendrecht. De conclusie was dan ook, dat dit deel zich in Ossendrecht afspeelde.

De attributen die in de frituurpan werden gelegd waren zo groot (frikandellen van 1,5 meter, e.d.), dat ik nauwelijks kon geloven dat dit goed was. Na hierop enkele malen commentaar te hebben geleverd werd ik, verkleed als kip, in de frituurpan gelegd: kip-in-’t-bakkie. Onder luid gejuich van ‘de jongens’ lag ik daar voor gek te liggen.

Vervolgens kwam er een personeelslid in witte kledij, die zich aan mijn ouders voorstelde als zuster Veenendaal. Dit riep direct associaties op met mijn woonplaats en zette mij aan het denken.

Zij wees mij op het embleem op haar borst en maakte mij zo duidelijk, dat ik mij bevond in het AZU. Ze vertelde me ook, dat er de volgende dag een sport meerkamp was, waar ik verplicht aan mee moest doen.

De route naar het sportterrein was een grote, mulle zandvlakte. We moesten er met zware schoenen doorheen lopen. In deze groepswedstrijden moest ik in een soort molen springen. In een boog werd ik dan gelanceerd, waarna ik in rechte lijn zo snel mogelijk naar de finish moest lopen. Direct na de finish lag ik weer in bed. Ik was moe…, zeer moe…, alleen maar moe… en sliep.

Het wakker worden daarna duurde lang en ging moeizaam. Zeg maar met vallen en opstaan. Toch begonnen langzamerhand berichten van buiten door te sijpelen. Het verplegend personeel praatte constant over het slechte weer. Buiten was het al dagen koud en regenachtig.

Toen viel ik weer in slaap. Regelmatig werd ik echter gewekt, want het hoge woord moest er toch uit. Ik had nu lang genoeg geslapen, ik moest naar huis.


De artsen ruzieden echter eerst een tijdje over de vraag waar ze mij heen zouden sturen. Ik was geplaatst in een Edese kazerne, maar anderen vonden De Lier of Duitsland wel wat voor mij.

Afkeuring kwam ‘nicht im Frage’, want de dienstplicht was er niet voor niets. Ik had immers tijdens de sportproef bewezen alles weer te kunnen?! Na enig geharrewar, waarbij een Salomonsoordeel geveld moest worden door de hoogste chef, besloten ze mij toch maar naar Ede te sturen.

[ Toen ik mijn ouders later verteld over de scene met zuster Veenendaal, bleek inderdaad een van de verpleegkundigen zuster Veenendaal te heten. Dit was eigenlijk een van de eerste dingen, waardoor ik besefte dat er een stuk werkelijkheid in deze filmbeelden verpakt zat.

De sport meerkamp legt voor mij primair een link met de MLV (militaire lichamelijke vaardigheid). Maar meer bijzonder is, dat ik dit traject ruim 13 jaar later ook voor ogen had tijdens het stervensproces van mijn moeder. Een diepgaande voorspel(len)de ervaring… ]

Zwijgplicht

Gezien het gebeuren met “Boeddha”, die inmiddels op wonderlijke wijze was teruggekeerd, moest ik snel van de zaal weg. En dat gold ook voor de andere patiënten. Er werden plannen gesmeed voor definitief-levensbeëindigende methoden voor deze man. Om onnodige risico’s te vermijden, moest de zaal hiertoe geheel leeg zijn. Ik werd dan ook naar de ‘gewone afdeling’ gebracht, wetend dat ik de volgende dag naar Ede zou gaan. Geëist werd dat volstrekt gezwegen werd over alles m.b.t. deze “Boeddha”-persoon.

Na een route door het ziekenhuis, liggend op bed, kwam ik op een zaal-voor-zes te liggen. Het “Boeddha gebeuren” spookte steeds door mijn hoofd, terwijl ik lag te wachten op de taxi naar Ede. Toen mijn ouders ’s avonds kwamen, kon ik niets fatsoenlijks zeggen. Ik had het eten afgeslagen. Ik moest hen zeggen dat ik niet wist waar ik de volgende dag zou liggen. Ook het vertrek naar Ede moest namelijk geheim blijven.



 's Avonds werden alle spullen die ik bij me had door broeder Eddie weggehaald. Ook ik werd in mijn bed naar de lift gereden. Het vertrek naar Ede was daar.

Toen schoot het door me heen, dat ik niet in een militaire ziekenboeg wilde liggen. Ik wilde goede verzorging en dat kon hier. Dus kroop ik mijn bed uit, toen ik reeds achterin de viertonner lag. Ik rende terug het ziekenhuis in en meldde mij - toen de vrachtwagen vertrokken was - weer in de zaal om daar te gaan slapen.

De volgende uren bleef ik gespannen mijn mond houden over het “Boeddha gebeuren”.

En toen, dinsdagmorgen omstreeks 9 uur, kwam er een fysiotherapeute. Zij voelde even en vroeg: “Begint het al wat te dagen in de bovenkamer?” Met die woorden werd de knop omgedraaid, was de film beëindigd en begon het verwerkingsproces.

Slotwoord: Comapatiënt registreert meer dan je denkt!

Hiermee kom ik aan het einde van deze 3-delige miniserie. In deze trilogie heb ik de film zo goed mogelijk beschreven. De tekst is in 1991 - dus een kleine 4 jaar na het ongeluk - op papier gekomen. Er is dus weinig tijd geweest om een en ander onnodig op te fleuren.

Nog één bijzonderheid wil ik hier noemen. Op 16 juni - de verjaardag van mijn broer - vroeg ik namelijk mijn ouders om pen en papier. In fasen schreef ik hierop: ‘Herman - nog vele jaren’. Daarmee werd in feite (voor mijn ouders) al duidelijk, dat mijn geest niet wezenlijk was aangetast. Waarvoor ik God enorm dankbaar ben.

Mijn algemene conclusie is, dat mensen moeten uitkijken wat ze zeggen en doen in de nabijheid van een comapatiënt. Er wordt immers meer geregistreerd dan velen denken…

 

Links naar de eerder verschenen vergelijkbare artikelen

Wil je ook meeschrijven,
maar ben je nog geen lid van Yoors?