Fobieën


#howtodealwith

Angsten kunnen je lamleggen. Zelfs zo erg dat het fatale gevolgen kan hebben. Je inleven in iemand die de angst voor zichzelf zo groot maakt dat het een fobie wordt, kan veel van je vergen, maar alleen dan ben je in staat om begrip te tonen, echt begrip, niet geveinsd.

Mensen kunnen zo snel hun oordeel klaar hebben, en het gedrag van anderen afkeuren, soms gaat die afkeuring echt alle proporties te buiten, en dat is ook te begrijpen door van buiten af ertegen aan te kijken. Ongeveer dertig jaar geleden kreeg ik een unieke kans die mij ruimschoots in de gelegenheid stelde om mijn inlevingstechnieken wat bij te schaven. Het was niet eenvoudig, heeft mij veel pijn en verdriet gekost, maar heeft mij op den duur tot een rijk mens gemaakt. Rijk aan levenservaring, ondanks dat ik op het moment zelf nauwelijks in leven was.

Het was voor mijn moeder een hele schok om mij in het ziekenhuis als een kasplantje te zien liggen. Ze werd herinnerd aan het ongeluk van haar man. Hij had ook verband om zijn hoofd. Hij lag ook in coma. Hij was aan zijn verwondingen bezweken. Mijn moeders grootste angst was mij ook te verliezen. Ze kon het niet aan om mij met regelmaat te bezoeken, toch kwam ze af en toe langs en beklaagde zichzelf.

Ik hoorde haar aan, kon niet kenbaar maken dat ik daartoe in staat was, maar dat leverde me wel inzicht op. Anders had ik haar misschien onderbroken, weggestuurd zelfs, gezegd dat ik daar niets aan had, helemaal niets, dat ik het was die het zwaar had, niet zij. Gelukkig gaf het noodlot mij gelegenheid om mijn mond te houden, en dat stelde haar weer in de gelegenheid haar angsten te overwinnen. Tot ze uiteindelijk zo ver was, dat ze het toe durfde te geven. 'Ga dan in godsnaam maar dood, dan kan ik rouwen om je en daarna kan ik verder met mijn leven. Ga dan maar dood.' Ze was genezen van haar eigen angsten, accepteerde mijn dood. En ik? Ik hoorde het aan. Dacht erover na. Want denken was het enige waar ik nog goed toe in staat was.

Ook was mijn toenmalige man heb ik zo door zijn kankerfobie heen geholpen. Want al kwam hij maar twee keer in de maand langs, toch kwam hij. Dat was een hele overwinning voor hem. Een paar jaar voor mijn opname in het academische ziekenhuis gingen wij verhuizen van een flat, naar een huurhuisje met tuin. Toen werd ik voor het eerst echt geconfronteerd met zijn ernstige angst voor kanker. We kregen namelijk de nieuwe huurders van onze flat op bezichtigingsbezoek. Het was een bejaard koppel en de vrouw zij zo blij te zijn met deze gelijkvloerse flat, 'Want,' zo zei ze, 'nu mijn man kanker heeft...' Mijn eigen man trok helemaal wit weg, de spiertjes in zijn ooghoeken trilden doorlopend, hij zei niets meer, verontschuldigde zich niet eens bij het verlaten van de ruimte, de voordeur trok hij niet eens achter zich dicht, ik hoorde aan zijn voetstappen op de galerij, dat hij de flat uitgegaan was. Toen het oudere echtpaar weg was belde hij me. 'Je moet alles, alles waar ze aangezeten hebben schoonmaken, echt grondig reinigen, met een sopje en als je daarmee klaar bent mag je me bellen, ik ben bij mijn ouders.'

Onzinnig toch? Kanker is immers geen besmettelijke ziekte, maar zijn angst ervoor was zo groot, dat hij niet voor rede vatbaar was. Iedereen verklaarde hem voor gek. Iedereen zei dat hij zich niet aan moest stellen. Ik ook. Hoe vaak zijn wij niet naar het ziekenhuis geweest omdat hij dacht iets te voelen, zeker wist dat het kwaadaardig was, de kanker had hem te pakken. Hij ging dood. Dat ging hij niet, maar het was voor de mensen die ermee om moesten gaan een ware hel. Voor mij het meest. Het was dus een hele schok voor hem toen ik het was die uiteindelijk gegrepen werd door die kloteziekte waar hij zo bang voor was. Pas toen ik niet meer in staat was om hem de waarheid eens eventjes te vertellen, dat hij er voor mij moest zijn in plaats van ik voor hem, toen begon ik na te denken, omdat dat het enige was wat ik nog kon. Hij kwam op bezoek, ik kon hem niet wegsturen, de mond snoeren, moest hem aanhoren. 'Het is voor mij zo moeilijk om steeds maar langs te komen, was je maar dood, dan hoefde ik niet iedere keer door die hel en kon ik verder met mijn leven.'

Ik ging niet dood. Ik leefde me eerst in hoe het voor anderen was om mij daar te zien liggen, om op bezoek te komen terwijl zij zo geplaagd werden door hun angst. Pas toen ik daar enigszins mee om kon gaan, kwam ik zelf weer stukje bij beetje tot leven.